Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest d.d. 4 juli 2017
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Beslissing
- € 314,- griffierecht;
- € 894,- salaris advocaat;
Gerechtshof Den Haag
Partijen zijn in 1980 te Suriname gehuwd en in 2014 gescheiden waarbij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is vastgesteld. De man werd veroordeeld tot medewerking aan de goederenrechtelijke levering van zijn aandeel in onroerend goed te Suriname aan de vrouw. De man stelde dat zonder exequatur van de Surinaamse rechter geen medewerking kon worden verlangd, hetgeen het hof verwierp.
Het hof oordeelde dat de man eenvoudig kan meewerken door te verschijnen bij de notaris of een volmacht te verlenen, en dat de rechtsgrond voor medewerking volgt uit de beschikking van het hof Den Haag van 12 november 2014. De dwangsom ter handhaving van deze verplichting werd als redelijk beoordeeld.
De man stelde tevens dat het onroerend goed gezamenlijk eigendom is en dat hij niet alleen bevoegd is tot levering, maar het hof stelde dat de beschikking tot levering van zijn aandeel hem wel verplicht tot medewerking. De man vorderde ook dat de vrouw werd veroordeeld tot medewerking aan verkoop van de voormalige echtelijke woning, maar dit werd afgewezen omdat de vrouw eerst de opbrengst van het onroerend goed in Suriname moet gelde maken.
Het hof bekrachtigde het bestreden vonnis, veroordeelde de man in de kosten van hoger beroep en wees de overige vorderingen af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de man veroordeelt tot medewerking aan de goederenrechtelijke levering in Suriname en wijst de vordering tot medewerking van de vrouw aan verkoop van de woning af.