ECLI:NL:GHDHA:2017:2568

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
4 juli 2017
Publicatiedatum
8 september 2017
Zaaknummer
200.207.186/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:253 BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep proceskostenveroordeling na scheiding over onderhoudsbijdragen en convenant

Partijen zijn gewezen echtgenoten die een geschil hebben over de uitvoering van een in 2007 gesloten aanvullend convenant met afspraken over onderhoudsbijdragen voor hun kinderen. De man vorderde in eerste aanleg een verklaring omtrent de uitvoering van het convenant, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de kantonrechter oordeelde dat de vordering aan de kinderen toekwam, mede gelet op een derdenbeding in het convenant.

De man ging in hoger beroep tegen het vonnis van 11 oktober 2016, waarbij hij zich uitsluitend richtte op de proceskostenveroordeling die hem was opgelegd. De vrouw verscheen niet in hoger beroep, waardoor verstek werd verleend. Het hof oordeelt dat ondanks de niet-ontvankelijkverklaring, de man een legitiem belang had om opheldering te krijgen over de achterliggende kwestie omdat hij vooraf niet was geïnformeerd door de vrouw.

Het hof vernietigt daarom de proceskostenveroordeling en compenseert de proceskosten in eerste aanleg, zodat ieder zijn eigen kosten draagt. Ook in hoger beroep draagt de man zijn eigen kosten. De zaak betreft een civielrechtelijk geschil binnen het personen- en familierecht, waarbij het hof een billijke afwikkeling van proceskosten nastreeft.

Uitkomst: Het hof vernietigt de proceskostenveroordeling en compenseert de kosten tussen partijen, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie
Zaaknummer : 200.207.186/01
Rol-/zaaknummer rechtbank : 4873507\RL EXPL 16-6897

arrest d.d. 4 juli 2017 (bij vervroeging)

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [de man]
advocaat: mr. C.W.F. Jansen
tegen

[de vrouw]

wonende te [woonplaats]
geïntimeerde,
hierna te noemen: [de vrouw]
niet verschenen.

Het geding

Bij exploot van 9 januari 2017 is [de man] in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter Den Haag gewezen onder voormeld rol/zaaksnummer op 11 oktober 2016. Bij memorie van grieven heeft [de man] één grief aangevoerd.
Ter rolzitting van 24 januari 2017 is tegen [de vrouw] verstek verleend.
[de man] heeft zijn stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

Beoordeling van het hoger beroep

Het bestreden vonnis.
In het bestreden vonnis is [de man] in zijn conventionele vordering niet-ontvankelijk verklaard en [de man] in de proceskosten veroordeeld. In reconventie heeft de kantonrechter zich onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar de rolzitting van Team Handel van de rechtbank Den Haag.
Enige feiten
Partijen zijn gewezen echtgenoten
.De vordering van [de man] betreft een vordering uit hoofde van een in 2007 tussen hem en [de vrouw] gesloten (aanvullend) convenant waarin nadere afspraken zijn vastgelegd over – voor zover hier van belang – de vaststelling en betaling van onderhoudsbijdragen voor de kinderen van partijen.
Artikel 1.14 van het hier aan de orde zijnde convenant luidt:
“Als [naam] 20 jaar wordt zal het voor de kinderen afgesloten Koersplan tot uitkering komen. De opbrengst zal op twee rekeningen ten behoeve van ieder van de kinderen worden belegd ter bestrijding van de studiekosten voor de kinderen na het afronden van de middelbare school. “
De kantonrechter heeft [de man] niet-ontvankelijk verklaard omdat naar zijn oordeel de door [de man] ingestelde vordering niet aan hem toekwam maar aan de kinderen van partijen. De kantonrechter heeft het geciteerde artikel uit de tussen partijen gesloten nadere overeenkomst als een derdenbeding in de zin van artikel 6:253 Burgerlijk Pro Wetboek aangemerkt dat door [de vrouw] namens de toen nog minderjarige kinderen is aanvaard.
De grief
De aangevoerde grief ziet uitsluitend op de in conventie uitgesproken proceskostenveroordeling.
In randnummer 9 stelt [de man] dat het aan [de vrouw] is te wijten geweest dat de procedure is gevoerd.
Daarnaast beroept [de man] zich op het gebruik om proceskosten - ook tussen de niet in artikel 237 Wetboek Pro van Burgerlijke rechtsvordering genoemde ex-echtelieden - te compenseren.
Het hof overweegt als volgt. Indien in appel aan geïntimeerde verstek is verleend terwijl geïntimeerde in eerste aanleg verweer heeft gevoerd blijft het een procedure op tegenspraak.
De proceskostenveroordeling is door de kantonrechter niet anders gemotiveerd dan dat [de man] in het ongelijk is gesteld. Daartoe was de kantonrechter ook niet gehouden. Hoewel er tegen de niet-ontvankelijkverklaring van [de man] als zodanig niet is gegriefd en daarin een grond besloten zou kunnen liggen om tot een proceskostenveroordeling te komen, ook in zaken waarin ex-echtelieden tegen elkaar procederen, acht het hof een compensatie van proceskosten in dit geval meer in de rede liggen. Het bestreden vonnis zal dan ook in zoverre worden vernietigd.
Dit oordeel is gebaseerd op de in hoger beroep door [de man] gegeven toelichting over het voorafgaand aan de procedure niet geïnformeerd zijn door [de vrouw] over de afwikkeling van de tussen partijen gesloten nadere overeenkomst. Dat de procedure tegen [de vrouw] volgens de kantonrechter door een andere partij had moeten worden ingesteld doet niet af aan het legitieme belang van [de man] om opheldering van [de vrouw] over de achterliggende kwestie te krijgen. [de man] heeft in hoger beroep ook aangegeven dat hij de procedure niet gestart zou zijn als [de vrouw] de in eerste aanleg verstrekte informatie voorafgaand aan de procedure aan hem zou hebben gegeven.
In hoger beroep heeft [de man] om een compensatie van proceskosten gevraagd. Nu er verstek verleend is tegen [de vrouw] en zij derhalve niet geacht kan worden kosten te hebben gemaakt zal het hof bepalen dat [de man] zijn eigen kosten moet dragen.

Beslissing

Het hof:
vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter Den Haag van 11 oktober 2016, uitsluitend voor zover [de man] daarin in de proceskosten aan de zijde van [de vrouw] is veroordeeld, en – opnieuw rechtdoende – compenseert de proceskosten in eerste aanleg tussen partijen in die zin dat elk der partijen zijn/haar eigen kosten draagt;
verklaart dit arrest – tot zover – uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat [de man] zijn eigen kosten draagt;
Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, C.M. Warnaar en D. Wachter en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juli 2017 in aanwezigheid van de griffier.