Spoedeisend belang appellanten sub 3 (grief 3)
12. Appellanten sub 3 stellen dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet over het voor het vorderen van een voorziening vereiste spoedeisend belang beschikken en voeren daartoe, kort weergegeven, het volgende aan. Door het indienen van een verzoek om onderzoek bij de raad en het verplicht stellen van een toetsingsgesprek over het door hen gegeven thuisonderwijs waarbij niet duidelijk is aan welke criteria zou worden getoetst en wat de gevolgen zijn als niet aan deze (onbekende) criteria zou worden voldaan, maakt de gemeente een niet gerechtvaardigde inbreuk op het privé- en gezinsleven van appellanten sub 3. Appellanten sub 3 wilden hun kinderen niet aan deze inbreuk blootstellen en zijn daarom geëmigreerd naar Ierland, waar thuisonderwijs wel wettelijk is gereguleerd. Als Nederlanders zijn zij echter gerechtigd in Nederland te wonen en te verblijven zonder dat een niet-gerechtvaardigde inmenging in hun privé- en gezinsleven plaatsvindt. Appellanten wensen dan ook op korte termijn, zo spoedig mogelijk, weer de mogelijkheid te hebben om in Nederland te wonen althans te verblijven zonder dat van deze inmenging sprake is. Hiervoor bestaat voor hen praktisch gezien ook de mogelijkheid; zo is hun huisraad nog in Rotterdam opgeslagen.
13. Zowel de gemeente als de raad zijn van mening dat appellanten sub 3 geen (spoedeisend) belang bij hun appel hebben.
14. Het hof oordeelt als volgt. Met betrekking tot de situatie van appellanten sub 3 staat het volgende vast. Kort nadat de gemeente een verzoek/melding tot onderzoek aan de raad had gedaan, zijn appellanten sub 3 met hun gezin naar Ierland verhuisd. De raad heeft daarop laten weten dat geen onderzoek zal worden verricht en dat ook niet aan de daartoe bevoegde instanties in Ierland zal worden verzocht onderzoek te doen. De raad heeft ter pleidooizitting onweersproken gesteld dat de eerdere melding die de gemeente heeft gedaan niet in behandeling is genomen en derhalve niet meer voorligt. Door appellanten sub 3 is gesteld noch gebleken dat aan hun zijde sprake is van een (financiële) noodzaak om op korte termijn met het gezin terug te keren naar Nederland. Met de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat de enkele wens om op enig moment weer naar Rotterdam, dan wel elders in Nederland, terug te keren onvoldoende is om spoedeisend belang in het kader van een vordering tot het verkrijgen van een voorlopige voorziening aan te nemen.
15. Het vorenstaande leidt ertoe dat appellanten sub 3 wegens het ontbreken van spoedeisend belang niet-ontvankelijk worden verklaard in hun hoger beroep.
Spoedeisend belang van appellanten sub 1 en 2 bij de vorderingen tot intrekken door gemeente van reeds gedane meldingen/verzoeken en verbod voor raad tot starten van dan wel gebod tot staken, subsidiair schorsen, van reeds gestarte onderzoeken
16. Aan het hof ligt thans nog voor de vordering van appellanten sub 1 en 2 jegens de gemeente om de gemeente te veroordelen reeds gedane meldingen/verzoeken om onderzoek in te trekken. Voorts ligt nog aan het hof voor de primaire vordering van appellanten sub 1 en 2 jegens de raad om de raad te verbieden een onderzoek te starten naar aanleiding van de op basis van het door de gemeente gevoerde beleid ter zake van een beroep op artikel 5b Leerplichtwet gedane verzoeken om onderzoek dan wel de raad te veroordelen reeds op grond van dergelijke verzoeken gestarte onderzoeken te staken. Subsidiair vorderen appellanten sub 1 en 2 jegens de raad om de raad te gebieden het raadsonderzoek te schorsen tot in de bodemprocedure ter zake nader is beslist.
17. Met betrekking tot de situatie van appellanten sub 1 staat het volgende vast. Het verzoek van de gemeente aan de raad om onderzoek heeft geleid tot een onderzoek door de raad. Dit onderzoek heeft geleid tot een verzoek van de raad aan de kinderrechter tot een voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Bij beschikking van 19 mei 2016 van de rechtbank Rotterdam, team Jeugd, zijn de drie kinderen uit het gezin, waaronder de minderjarige ten aanzien waarvan de gemeente een verzoek/melding had gedaan, voorlopig onder toezicht gesteld en is voorts een machtiging tot uithuisplaatsing afgegeven in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van vier weken. Bij opvolgende beschikking van 30 mei 2016 is de voorlopige ondertoezichtstelling in stand gelaten, is de verleende (spoed)machtiging uithuisplaatsing opgeheven en zijn de drie kinderen weer teruggeplaatst bij de ouders. Bij beschikking van 8 augustus 2016 van de rechtbank Rotterdam, team Jeugd, zijn de kinderen vervolgens onder toezicht gesteld met ingang van 8 augustus 2016 tot 8 februari 2017.
18. Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van het hof dat appellanten sub 1 geen spoedeisend belang meer hebben bij hun vordering jegens de gemeente tot intrekking van reeds gedane meldingen/verzoeken om onderzoek. Immers, het verzoek van de gemeente om onderzoek is al gevolgd door een onderzoek van de raad, welk onderzoek reeds is voltooid. Intrekking van de melding/verzoek door de raad kan er dan ook niet toe leiden dat het onderzoek van de raad ongedaan wordt gemaakt dan wel teruggedraaid.
19. Voorts volgt uit het vorenstaande dat appellanten sub 1 geen spoedeisend belang meer hebben bij hun vordering om de raad te verbieden een onderzoek te starten dan wel een reeds gestart onderzoek te staken, subsidiair te schorsen. Het onderzoek van de raad is reeds voltooid en heeft geleid tot de ondertoezichtstelling van de drie kinderen uit het gezin van appellanten.
20. Het hof merkt nog op dat de leerplichtige minderjarige kinderen van appellanten sub 1, zo blijkt uit het aanvullend proces-verbaal van de leerplichtambtenaar van 23 september 2016, inmiddels ook als leerling zijn ingeschreven op een basisschool.
21. Met betrekking tot de situatie van appellanten sub 2 staat het volgende vast. De raad heeft appellanten sub 2 bij brief van 2 maart 2016 meegedeeld nog geen raadsonderzoek te zullen starten, nu appellanten sub 2 aan de gemeente hebben aangegeven alsnog het gesprek met de gemeente aan te zullen gaan. Appellanten sub 2 zijn vervolgens op 5 augustus 2016, na het bestreden vonnis, met de gemeente in gesprek gegaan. Zij hebben hun beroep op de vrijstellingsmogelijkheid vanwege richtingbezwaren aan de leerplichtambtenaar toegelicht. De leerplichtambtenaar heeft vervolgens geoordeeld dat appellanten sub 2 terecht een beroep op die vrijstelling doen. Voorts hebben zij in een gesprek met de gemeente toegelicht dat zij thuis onderwijs voor hun kinderen verzorgen en zijn zij ingegaan op de manieren waarop hun kinderen met andere kinderen en personen buiten het gezin in aanraking komen. De gemeente heeft naar aanleiding hiervan aan de raad laten weten dat wat haar betreft geen onderzoek hoeft te worden gedaan. De raad heeft daarop bij e-mail van 8 augustus 2016 aan appellanten sub 2 laten weten het onderzoek naar de opvoedingssituatie van de kinderen af te breken.
22. Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van het hof dat appellanten sub 2 geen spoedeisend belang meer hebben bij hun vordering jegens de gemeente tot intrekking van reeds gedane meldingen/verzoeken om onderzoek. De gemeente heeft reeds aan de raad meegedeeld dat geen onderzoek hoeft te worden gedaan.
23. Voorts volgt uit het vorenstaande dat appellanten sub 2 geen spoedeisend belang meer hebben bij hun vordering om de raad te verbieden een onderzoek te starten dan wel een reeds gestart onderzoek te staken, subsidiair te schorsen. De raad heeft het onderzoek reeds afgebroken, zodat het opleggen van een verbod als gevorderd door appellanten sub 2 niet aan de orde is. Nu het onderzoek door de raad is afgebroken, hebben appellanten sub 2 voorts geen belang bij een vordering tot staken dan wel schorsen van een lopend onderzoek.
24. Het vorenstaande leidt ertoe dat appellanten sub 1 en sub 2 wegens het ontbreken van spoedeisend belang in hun hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
Vordering tot verbod gemeente het gevoerde beleid ter zake van een beroep op artikel 5b Leerplichtwet voort te zetten subsidiair te schorsen tot in de bodemprocedure nader is beslist
25. Voor zover partijen erop aansturen dat het hof een rechtmatigheidstoets op het door de gemeente gevoerde beleid toepast, oordeelt het hof als volgt. Een dergelijke toets gaat het bestek van een beoordeling in het kader van een procedure in kort geding, waarin het gaat om het nemen van een ordemaatregel, te buiten. Deze toets is voorbehouden aan de bodemrechter. Met betrekking tot het instellen van een dergelijke procedure is ter pleidooizitting namens appellanten verklaard dat zij louter om praktische redenen geen bodemprocedure zijn gestart, maar dat daarmee niet is gezegd dat zij dat niet willen doen.