De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het opzettelijk vervoeren en aanwezig hebben van ongeveer 613,3 gram heroïne. In hoger beroep betoogde de verdediging dat er sprake was van onherstelbare vormverzuimen, met name het niet geven van de cautie voorafgaand aan de vraag of verdachte drugs bij zich had. Het hof oordeelde dat dit verzuim inderdaad een schending van het eerlijk proces opleverde, waardoor de belastende verklaringen van verdachte uitgesloten moesten worden.
Desondanks achtte het hof het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, omdat de verdachte de heroïne uit eigen beweging aan de verbalisanten overhandigde. De strafbaarheid werd bevestigd, maar vanwege het feit dat het delict uit 2012 dateert, de verdachte geen relevante justitiële documentatie heeft en het proces niet correct is verlopen, besloot het hof op grond van artikel 9a Sr geen straf of maatregel op te leggen.
Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof sprak de verdachte vrij van hetgeen meer of anders was ten laste gelegd. Het arrest werd gewezen door drie rechters, waarvan één niet kon ondertekenen, en uitgesproken op 2 juni 2017.