ECLI:NL:GHDHA:2017:2130

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2017
Publicatiedatum
18 juli 2017
Zaaknummer
001559-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 89 SvArt. 90 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek immateriële schadevergoeding na voorlopige hechtenis wegens oplichting

Verzoeker was in verzekering gesteld en vervolgens in bewaring genomen in een strafzaak waarin hij werd veroordeeld voor oplichting, maar vrijgesproken van een andere tenlastelegging. In hoger beroep werd hij vrijgesproken van de oplichting, waardoor hij op grond van artikel 89 Sv Pro in beginsel recht had op een schadevergoeding voor de tijd in voorlopige hechtenis.

Het hof oordeelde echter dat verzoeker door zijn eigen handelen een zware en gerechtvaardigde verdenking op zich had geladen. Tijdens verhoren ontkende hij de handelingen die hij volgens het hof wel had verricht, waardoor hij het voortduren van de voorlopige hechtenis aan zichzelf te wijten had.

Daarnaast was vastgesteld dat verzoeker samen met een mededader de aangever had bewogen telefoonabonnementen af te sluiten op diens naam, waarna verzoeker deze voor eigen gebruik aanwendde. Het hof vond dat de vrijspraak mede te wijten was aan de onvoorzichtigheid van de aangever en niet aan onschuld van verzoeker.

Gezien deze omstandigheden achtte het hof geen gronden van billijkheid aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen. Het verzoek werd daarom afgewezen.

De beschikking werd op 14 april 2017 in het openbaar uitgesproken door het Gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Het verzoek tot immateriële schadevergoeding wordt afgewezen wegens gebrek aan gronden van billijkheid.

Uitspraak

rolnummer 22-004714-15
datum uitspraak 14 april 2017

GERECHTSHOF DEN HAAG

meervoudige raadkamer

BESCHIKKING

gewezen naar aanleiding van een ter griffie van dit hof ingekomen verzoekschrift, op grond van artikel 89 van Pro het Wetboek van Strafvordering ingediend door:

[naam verzoeker],

geboren te [plaats] op [datum],
adres: [adres],
in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van zijn advocaat mr. S. Meeuwsen aan de Hoge Torenstraat 8, Postbus 3018, 4200 EA Gorinchem.
Procesgang
Verzoeker is in zijn strafzaak op 8 juli 2015 in verzekering gesteld, op 10 juli 2015 in bewaring gesteld en op 24 juli 2015 in vrijheid gesteld.
Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 oktober 2015 met parketnummer 10-680215-15 is verzoeker ter zake van het in zijn strafzaak onder 2 tenlastegelegde vrijge-sproken en ter zake van het onder 1 tenlastegelegde, gekwalificeerd als oplichting, veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.
Verzoeker heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld.
Dit gerechtshof heeft in hoger beroep bij arrest van
22 september 2016 met rolnummer 22-004714-15 het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 oktober 2015 vernietigd –voor zover op grond van de in eerste aanleg gegeven vrijspraak aan het oordeel van het hof onderworpen- en verzoeker vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde.
Dit arrest is op 7 oktober 2016 onherroepelijk geworden.
Verzoeker heeft vervolgens bij een op 12 oktober 2016 ter griffie van dit hof ingekomen verzoekschrift verzocht hem
op de voet van artikel 89 van Pro het Wetboek van Straf-vordering een bedrag toe te kennen van € 1.355,- (3 x € 105,- + 13 x € 80,-) als vergoeding voor de immateriële schade die hij heeft geleden als gevolg van de tijd die hij in zijn strafzaak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Het hof heeft het verzoek op 17 maart 2017 in het open-baar in raadkamer behandeld. In raadkamer zijn gehoord de advocaat van verzoeker, mr. S. Meeuwsen, en de advocaat-generaal mr. R. Schoute. Verzoeker is –hoewel behoorlijk opgeroepen- niet in raadkamer verschenen.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek op grond dat hij –niettegenstaande de vrijspraak van verzoeker- van oordeel is dat er geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toekenning van een schadevergoeding nu het hof in zijn arrest van 22 september 2016 heeft vastgesteld dat verzoeker de in het onder 1 tenlastegelegde leugenachtige mededelingen aan het slachtoffer heeft gedaan en dat het slechts –kort gezegd- aan de onvoorzichtigheid en onnadenkendheid van het slachtoffer te wijten is geweest dat verzoeker van de aan hem tenlastegelegde oplichting is vrijgesproken.
De advocaat van verzoeker heeft in raadkamer het verzoekschrift toegelicht.
Beoordeling van het verzoek
De strafzaak tegen verzoeker is geëindigd met een beslissing, die hem op grond van artikel 89, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering in beginsel recht geeft op toekenning van een vergoeding voor de schade, die hij heeft geleden als gevolg van de tijd die hij in zijn strafzaak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Echter, ingevolge het hier toepasselijke artikel 90, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft toekenning van die schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van het hof, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Bij de beoordeling van de vraag of de voor toekenning van een schadevergoeding vereiste gronden van billijkheid aanwezig zijn heeft het hof acht geslagen op de volgende omstandigheden.
In zijn arrest van 22 september 2016 in de strafzaak tegen verzoeker heeft het hof overwogen dat verzoeker de aan hem tenlastegelegde handelingen is blijven ontkennen, maar dat het –gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep- evident is dat het verzoeker en zijn mededader zijn geweest die samen met de aangever langs verschillende telefoonwinkels zijn gegaan om de aangever, aangespoord door onware mededelingen van verzoeker, op diens eigen naam telefoonabonnementen te laten afsluiten, en daarmee schulden aan te gaan, waarna verzoeker die telefoonabonnementen met bijbehorende mobiele telefoons voor eigen gebruik aanwendde. Voorts heeft het hof overwogen –kort gezegd- dat als gevolg van de onnadenkendheid en onvoorzichtigheid van de aangever de (vastgestelde) leugenachtige mededelingen van verzoeker niet de voor oplichting vereiste ‘listige kunstgreep’ of ‘samenweefsel van verdichtsels’ opleverden.
Als gevolg van deze –ook achteraf bij arrest vastge-stelde– belastende feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat verzoeker destijds door zijn eigen handelen een zware en gerechtvaardigde verdenking op zich geladen dat hij zich aan een strafbaar schuldig had gemaakt.
Voorts is het hof van oordeel dat verzoeker het voort-duren van zijn voorlopige hechtenis aan zichzelf te wijten heeft gehad door tijdens zijn opeenvolgende verhoren op vragen te ontkennen dat hij de genoemde handelingen heeft verricht, terwijl het hof heeft overwogen dat vaststaat dat hij die handelingen wel heeft verricht.
Op grond van deze hiervoor door het hof in ogenschouw omstandigheden acht het hof geen gronden van billijkheid aanwezig om verzoeker voor een vergoeding op de voet van artikel 89 van Pro het Wetboek van Strafvordering in aan-merking te laten komen.
Het voorgaande brengt mee dat het verzoek moet worden afgewezen.
Beslissing
Het hof:
Wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gewezen door
mr. A. Kuijer, voorzitter,
mr. A.A. Schuering en mr. C.G.M. van Rijnberk, leden,
in bijzijn van mr. E. Mulder, griffier,
en op 14 april 2017 in het openbaar uitgesproken.
Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.