ECLI:NL:GHDHA:2017:2130
Gerechtshof Den Haag
- Raadkamer
- A. Kuijer
- A.A. Schuering
- C.G.M. van Rijnberk
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek immateriële schadevergoeding na voorlopige hechtenis wegens oplichting
Verzoeker was in verzekering gesteld en vervolgens in bewaring genomen in een strafzaak waarin hij werd veroordeeld voor oplichting, maar vrijgesproken van een andere tenlastelegging. In hoger beroep werd hij vrijgesproken van de oplichting, waardoor hij op grond van artikel 89 Sv Pro in beginsel recht had op een schadevergoeding voor de tijd in voorlopige hechtenis.
Het hof oordeelde echter dat verzoeker door zijn eigen handelen een zware en gerechtvaardigde verdenking op zich had geladen. Tijdens verhoren ontkende hij de handelingen die hij volgens het hof wel had verricht, waardoor hij het voortduren van de voorlopige hechtenis aan zichzelf te wijten had.
Daarnaast was vastgesteld dat verzoeker samen met een mededader de aangever had bewogen telefoonabonnementen af te sluiten op diens naam, waarna verzoeker deze voor eigen gebruik aanwendde. Het hof vond dat de vrijspraak mede te wijten was aan de onvoorzichtigheid van de aangever en niet aan onschuld van verzoeker.
Gezien deze omstandigheden achtte het hof geen gronden van billijkheid aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen. Het verzoek werd daarom afgewezen.
De beschikking werd op 14 april 2017 in het openbaar uitgesproken door het Gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het verzoek tot immateriële schadevergoeding wordt afgewezen wegens gebrek aan gronden van billijkheid.