Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
BESCHIKKING
[naam verzoeker],
€ 105,-.
Gerechtshof Den Haag
Verzoeker werd op 21 april 2015 in verzekering gesteld op verdenking van het uitgeven van vals geld. Tijdens het onderzoek ontstond ook een verdenking van verduistering, waarvoor hij later werd veroordeeld. De vervolging voor vals geld werd geseponeerd wegens onvoldoende bewijs, waarna verzoeker werd vrijgelaten.
Verzoeker vroeg vervolgens op grond van artikel 89 Wetboek Pro van Strafvordering een schadevergoeding voor de tijd in voorlopige hechtenis wegens vals geld. De rechtbank verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk omdat verzoeker voor een ander feit (verduistering) was veroordeeld, waarvoor voorlopige hechtenis was toegelaten.
Het hof oordeelt echter dat het feit van vals geld een zelfstandige zaak vormt en dat deze zaak is geëindigd zonder strafoplegging. Daarom is verzoeker ontvankelijk en heeft hij recht op vergoeding voor de immateriële schade van de tijd in voorlopige hechtenis. De vergoeding voor gederfde inkomsten wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
Het hof kent een bedrag van €105 toe voor één dag voorlopige hechtenis en vernietigt de eerdere beschikking. De betaling wordt ten laste van de Staat der Nederlanden uitgevoerd.
Uitkomst: Verzoeker krijgt een schadevergoeding van €105 voor de tijd in voorlopige hechtenis wegens vals geld.