ECLI:NL:GHDHA:2017:209
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Verdeling ontbonden huwelijksgemeenschap en partneralimentatie in hoger beroep
In deze zaak staat de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap en de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw centraal. De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam, waarin onder meer de echtscheiding is uitgesproken en partijen zijn bevolen tot verdeling van hun gemeenschap.
De vrouw verzocht het hof de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen met een peildatum van 1 juli 2015, terwijl de man een peildatum van 1 januari 2015 voorstelde. Het hof stelde vast dat de peildatum voor de omvang van de gemeenschap 7 augustus 2015 is, de datum van het echtscheidingsverzoek, en dat de waardering van de goederen als hoofdregel op de datum van feitelijke verdeling moet plaatsvinden.
Het hof oordeelde dat partijen onvoldoende gegevens hadden verstrekt over de omvang en waarde van de gemeenschap op de peildatum, waardoor het niet mogelijk was om de verdeling vast te stellen. Ook kon het hof geen regresvordering vaststellen wegens gebrek aan gegevens. De verzoeken van beide partijen werden daarom afgewezen en de bestreden beschikking bekrachtigd.
Daarnaast verklaarde het hof de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoeken tot wijziging van de beschikking met betrekking tot verkoop van woningen en partneralimentatie, omdat zij deze verzoeken had ingetrokken. De man had incidenteel hoger beroep ingesteld, maar ook dit werd afgewezen. De uitspraak werd gedaan door drie raadsheren op 8 februari 2017.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en wijst de verzoeken van de vrouw af wegens onvoldoende gegevens en niet-ontvankelijkheid.