Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 18 juli 2017
[naam 1] ,
[naam 2] ,
de Staat der Nederlanden(Ministerie van Veiligheid en Justitie),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Grief 1is gericht tegen de weergave van het standpunt van [appellant] in rechtsoverweging 2.3 van de bestreden beschikking. [appellant] voert aan dat die weergave onvolledig is. In het kader van deze grief heeft [appellant] voorts een brief van 7 februari 2017 van zijn advocaat in de strafprocedure, mr. O.O. van der Lee, overgelegd, waarin een aantal aan de getuigen mogelijk te stellen vragen zijn geformuleerd.
Grief 2is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de Staat als belanghebbende moet worden toegelaten. [appellant] voert aan dat de aansprakelijkheid van de Staat is gegeven en dat het de Staat dus onverschillig moet laten of [verweerder 1] daarnaast ook aansprakelijk is.
Grief 3komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat van [appellant] had mogen worden verwacht nader te onderbouwen welke feiten er in het voorlopig getuigenverhoor nog aan de orde zouden moeten worden gesteld. [appellant] voert aan dat van hem niet verwacht kan worden thans zijn vragen en zijn processtrategie reeds volledig uiteen te zetten. Bovendien heeft [appellant] wel duidelijk gemaakt welke feiten hij wil bewijzen en welke vragen gesteld zullen worden.
Grief 4komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat uit de gestelde gang van zaken bij de huiszoekingen niet kan worden geconcludeerd dat sprake is geweest van onrechtmatig handelen waarvoor [verweerder 1] persoonlijk aansprakelijk gesteld kan worden, terwijl
grief 5is gericht tegen de afwijzing van het verzoek als zodanig en de veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding.
LJNBC3354,
NJ2008, 323). Voorzover hij zich daarover wel uitlaat, is hij daaraan in het na opheldering van de feiten ingestelde geding niet gebonden.
Beslissing
- bekrachtigt de tussen partijen gewezen beschikking van de rechtbank Den Haag van 10 november 2016;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 716,- aan verschotten en € 1.788,- aan salaris advocaat.