ECLI:NL:GHDHA:2017:1890

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
23 mei 2017
Publicatiedatum
29 juni 2017
Zaaknummer
200.196.742/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 68 lid 1 rolreglement
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen overeenkomst tot verdeling van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld

De zaak betreft een hoger beroep van de man tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag waarin werd geoordeeld dat geen overeenkomst tot verdeling van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap tot stand is gekomen.

De man stelde dat partijen overeenstemming hadden bereikt over de verdeling, onderbouwd met verklaringen van zijn advocaat en e-mailcorrespondentie. De vrouw voerde gemotiveerd verweer dat geen akkoord was bereikt en dat het convenant niet door haar was ondertekend.

Het hof oordeelde dat de man onvoldoende bewijs had geleverd en zijn betoog niet consistent was. Er ontbrak bevestiging van de vrouw of haar advocaat dat zij akkoord waren met de verdeling. Het hof passeerde de verklaring van de advocaat van de man als onvoldoende bewijs.

Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en compenseerde de proceskosten in hoger beroep, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat geen overeenkomst tot verdeling is gesloten en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.196.742/01
Zaak- rolnummer rechtbank : C/09/468273/ HA ZA 14-729

arrest van 23 mei 2017

inzake
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. M. de Boorder te Den Haag,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.M de Boer. te Amsterdam.

Het geding

Bij exploot van 23 mei 2016 is de man in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van 24 februari 2016 van de rechtbank Den Haag tussen de partijen gewezen.
Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.
De man heeft bij memorie van grieven één grief geformuleerd tegen het bestreden vonnis.
De man heeft op 26 oktober 2016 een akte tot het in het geding brengen van stukken genomen.
Bij memorie van antwoord heeft de vrouw de grief bestreden.
Beide partijen hebben hun procesdossier gefourneerd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht, gaat het hof uit van de feiten zoals deze in het bestreden vonnis zijn vastgesteld.

Het bestreden vonnis

2. Uit het bestreden vonnis volgt dat de rechtbank van oordeel is dat er tussen partijen geen overeenkomst tot verdeling van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap tot stand is gekomen.
3. Door de rechtbank is als volgt beslist:
  • 5.1 sluit de vordering tot verdeling van [naam A] voor de komende drie jaren uit;
  • 5.2 bepaalt dat [de vrouw] haar aandeel in [naam] N.V. om niet aan [de man] dient over te dragen, waarbij partijen ieder de helft van de kosten van de overdracht dragen;
  • 5.3 bepaalt dat de op naam van [de vrouw] staande beleggingsverzekering bij Aegon met certificaatnummer [nummer] dient te worden afgekocht en dat aan ieder der partijen de helft van de netto-opbrengst (na belasting) zal toekomen.
  • 5.4 verklaart hetgeen onder 5.2 en 5.3 weergegevene uitvoerbaar bij voorraad;
  • 5.5 compenseert de kosten van dit geding aldus, dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;
  • 5.6 wijst het meer of anders gevorderde af.

Kern van het geschil

4. De kern van het geschil tussen partijen is, of er een overeenkomst tot verdeling van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap tot stand is gekomen.

Vordering man

5. De man vordert: dat het uw Hof behage bij arrest zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: te vernietigen het vonnis van de rechtbank Den Haag d.d. 24 februari 2016 en alsnog rechtdoende te beslissen dat de boedelverdeling dient plaats te vinden conform het echtscheidingsconvenant dat is aangehecht aan de verklaring van mr. Kraag van 5 augustus 2016, ieder eigen kosten.

Grief van de man

6. De man is het niet eens met hetgeen de rechtbank in r.o. 4.3 heeft overwogen. In de visie van de man is er tussen partijen wel een overeenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de verdeling van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap.
7. Door de man is onder meer het navolgende naar voren gebracht:
  • Uit de passage die de rechtbank heeft opgenomen uit het mailverkeer van de Surinaamse advocaten blijkt dat de advocaat van de vrouw aan de advocaat van de man heeft bevestigd dat de vrouw akkoord is;
  • Anders dan de rechtbank overweegt valt uit het mailverkeer wel op te maken dat het bij verzoekschrift ingediende convenant destijds was geaccepteerd;
  • De man legt als productie 1 over de verklaring van zijn advocaat van 5 augustus 2016 waarin mr. Kraag verklaart dat over het aan de verklaring aangehechte convenant overeenstemming is bereikt;
  • De man biedt uitdrukkelijk aan onder ede te verklaren dat hetgeen zijn advocaat verklaart juist is.

Verweer door de vrouw

8 Door de vrouw wordt gemotiveerd verweer gevoerd. In de visie van de vrouw is er tussen partijen geen overeenstemming bereikt met betrekking tot de verdeling van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap.
9. Door de vrouw wordt onder meer het navolgende aangevoerd:
  • Er is geen correspondentie van de zijde van de (advocaat) van de vrouw die bevestigt dat de vrouw het met alles eens is;
  • De vrouw heeft nimmer een convenant getekend, dan wel laten meedelen dat zij onvoorwaardelijk akkoord was met enige verdeling;
  • De vrouw merkt daarbij op dat er door de man twee verschillende convenanten in het geding zijn gebracht, die beiden alleen door de man zijn ondertekend;
  • Het feit dat de man verschillende convenanten inbrengt, en daarbij wisselend verklaart over de totstandkoming ervan, maakt zijn verklaring dat er reeds in 2011 overeenstemming zou zijn over de verdeling van de huwelijksgemeenschap naar het oordeel van de vrouw volstrekt ongeloofwaardig.
Is er tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de verdeling?
10. Het hof overweegt als volgt. Degene die stelt draagt van zijn stellingen in beginsel de bewijslast. De man stelt dat er tussen partijen een overeenkomst tot verdeling van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap tot stand is gekomen.
11. In de akte uitlaten ex artikel 68 lid 1 rolreglement Pro stelt de man: “Deze regeling is door de vrouw aan de man voorgesteld en door de man geaccepteerd op 14 oktober 2013”. Door de man is in eerste aanleg een echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan in het geding gebracht. Dit convenant is door de man ondertekend op 14 oktober 2013. Het convenant is niet ondertekend door de vrouw.
12. Voorts is door de man in eerste aanleg een echtscheidingsconvenant in het geding gebracht dat niet is ondertekend maar waarin wel het jaartal 2011 is vermeld alsmede het jaartal 2012. Dit convenant is niet door een van de partijen ondertekend.
13. In zijn toelichting op zijn grief stelt de man dat partijen eind 2012 overeenstemming hebben bereikt over de wijze van verdeling. Als partijen eind 2012 overeenstemming hebben bereikt over de wijze van verdeling heeft de man er geen verklaring voor gegeven dat hij eerst op 14 oktober 2013 het echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan heeft ondertekend.
14. In zijn grief stelt de man dat de bereikte overeenstemming het bij het inleidend verzoekschrift gevoegde convenant betreft. De advocaat van de man, mr. D.S. Kraag, verklaart dat partijen reeds in december 2011 overeenstemming hebben bereikt met betrekking tot het echtscheidingsconvenant. De advocaat geeft echter niet aan of de vrouw heeft ingestemd met de betreffende versie die kennelijk pas na 6 mei 2013 is opgemaakt en geeft ook geen verklaring waarom het convenant pas op 14 oktober 2013 door zijn cliënt is ondertekend en waarom de vrouw het convenant niet heeft ondertekend. Ook geeft hij niet aan of dit convenant getekend naar de advocaat van de vrouw is teruggestuurd.
15. Bij de akte tot het in het geding brengen van stukken zijdens de man d.d. 25 oktober 2016 zit een kopie van e-mailcorrespondentie waaruit zou moeten blijken dat de man op 27 februari 2012 instemde met een concept-convenant. Nog afgezien van het feit dat onduidelijk is welk concept-convenant wordt bedoeld, uit de betreffende correspondentie blijkt enkel van voorwaardelijke instemming (immers voorwaardelijk met betrekking tot een kennelijk nog niet tot stand gekomen regeling over de kinderen).
15. Het feit dat de man stelt dat er een overeenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de verdeling en dat dit bevestigd wordt door de advocaat van de man levert geen bewijs op dat er een overeenkomst tot verdeling tussen de man en de vrouw tot stand is gekomen. De advocaat van de man is partij gebonden. Het hof passeert zijn verklaring bezien de feitelijke gang van zaken.
16. Naar het oordeel van het hof is de man niet consistent in zijn betoog dat er tussen partijen een overeenkomst tot verdeling tot stand is gekomen en heeft hij onvoldoende bewijs geleverd van zijn stellingen.

Bewijsaanbod?

17. De man heeft geen bewijsaanbod gedaan dat er tussen partijen een overeenkomst tot verdeling tot stand is gekomen. De man is alleen bereid om onder ede te verklaren dat hetgeen zijn advocaat verklaart juist is. Het hof acht het niet noodzakelijk daarvoor een getuigenverhoor te houden.

Proceskosten

18. Gezien het feit dat er sprake is van ex-echtgenoten zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren en wel in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt.

Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis van 24 februari 2016 van de rechtbank Den Haag tussen de partijen gewezen;
compenseert de proceskosten in hoger beroep en wel in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt;
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, D. Wachter en O.I.M. Ydema, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 mei 2017 in aanwezigheid van de griffier.