Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 10 januari 2017
de Gemeente Ridderkerk,
de Stichting Onderwijsgroep Zuid-Hollandse Waarden voor Primair Onderwijs en
de Stichting Openbaar Basisonderwijs 3Primair,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
meubilair: 111.375 euro
leerpakketten: 306.727 euro
ICT: 251.891 euro
gebouwonderhoud: 187.099 euro
algemene reserve 1.254.464 euro
“Daarna en daarnaast hebben diverse verrekeningen plaatsgevonden, doch deze zijn niet in een totaalkader geschetst, waardoor de onderlinge samenhang in de diverse bedragen ontbreekt.”
Ten aanzien van de afrekening tussen 3Primair en uw gemeente zijn wij van mening:
Bepalend voor de over te dragen middelen is de balans per 31 december 2006, onderdeel van het rapport inzake de jaarrekening 2006 van de gemeente Ridderkerk te Ridderkerk. Bij de jaarrekening 2006 is op 12 juli 2007 (…) een goedkeurende accountantsverklaring afgegeven.
Voor de overdracht dienen alle activa en passiva te worden overgedragen.
Eén van de activa posten betreft een vordering op de gemeente ad € 1.926.868. Door de overdracht van de activa en passiva verkrijgt 3Primair dus een vordering op de gemeente Ridderkerk ter hoogte van € 1.926.868.
De gemeente Ridderkerk heeft aan 3Primair twee voorschotten betaald van in totaal € 2.227.170 (€ 2.111.556 + € 155.614). De voorgeschoten gelden moeten nog verrekend worden.
Per saldo heeft de gemeente Ridderkerk een bedrag aan 3Primair teveel betaald van € 300.302. (€ 2.227.170 minus € 1.926.868).
De gemeente Ridderkerk heeft de berekening van de vordering op 3Primair van € 300.302 juist uitgevoerd.
“de instandhouding van scholen, waaronder begrepen alle zaken en rechten, in het bijzonder de eigendom van de hierna omschreven registergoederen, onder de verplichting voor de verkrijgende stichting om voor haar rekening te nemen en als eigen schulden te voldoen, onder vrijwaring van de aansprakelijkheid dienaangaande, alle ten laste van de overdragende stichtingen komende schulden en verplichtingen.”
Grief Iis gericht tegen de overwegingen 4.8, 4.9, 4.10, 4.12 en 4.13 van het bestreden vonnis. De Gemeente voert, kort samengevat, aan dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de overdracht van de reserves en voorzieningen van het onderwijs en de (rekening-courant) vordering op 3Primair. Met
grief IIkomt de Gemeente op tegen het oordeel van de rechtbank dat voor het bepalen van de hoogte van de vordering van de Gemeente op 3Primair de Balans per 31 december 2006 niet relevant zou zijn. Met
grief IIIvoert de Gemeente aan dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de afspraken die de Gemeente met 3Primair heeft gemaakt over de investeringen die de Gemeente in 2006 ten behoeve van het onderwijs heeft gedaan. De
grieven IV en Vzijn achtereenvolgens gericht tegen de afwijzing van de vordering als zodanig en de beslissing over de proceskosten.
gehelebalans en niet uitsluitend de rekening-courant verhouding met de Gemeente de basis voor een afrekening moet vormen, en dat dus moet worden gekeken naar alle vorderingen, liquide middelen en kortlopende schulden. Hoewel het standpunt van de Gemeente dat het voorschot met de rekening-courant vordering moet worden verrekend mogelijk juist is, is daarmee dus niet gezegd dat het surplus door OZHW moet worden terugbetaald. Daarvoor is vereist dat in de balans 2006 voor dat surplus geen grondslag is te vinden. De Gemeente heeft niet gemotiveerd (cijfermatig) onderbouwd dat en waarom er, uitgaande van de gehele balans, sprake is van een terugbetalingsverplichting van OZHW. De door haar opgevoerde balansen strekken er immers kennelijk slechts toe duidelijk te maken dat “reserves en voorzieningen” niet overdraagbaar zijn. Het hof kan de conclusie dat de Gemeente, aldus bezien, te veel heeft betaald, ook overigens uit de stukken niet afleiden, terwijl er, zoals hierboven is overwogen, voor de betalingen een rechtsgrond in het risico-convenant is te vinden. Het rapport van Deloitte van 27 juni 2013 – waarin overigens ten onrechte sprake is van een betaling van € 155.614,00 - biedt niet een voldoende grondslag voor de door de Gemeente getrokken conclusie omdat ook dat rapport (uitsluitend) de rekening-courantverhouding tot uitgangspunt neemt en de conclusie van het rapport overigens door OZHW mede aan de hand van de rapporten van Infinite van november 2012 en BMC van november 2010 gemotiveerd is weersproken.
Beslissing
opnieuw rechtdoende:
- veroordeelt OZHW tot betaling van € 176.979,23, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag vanaf 6 juli 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt OZHW tot betaling van € 2.544,79 te vermeerderen met BTW aan buitengerechtelijke incassokosten;
- veroordeelt OZHW in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van de Gemeente tot op 26 augustus 2015 begroot op € 93,80 explootkosten, € 3.829,- griffierecht en € 5.000,- aan salaris advocaat;
- veroordeelt OZHW in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 105,78 explootkosten, € 5.160,- aan verschotten en € 7.896,- aan salaris advocaat en op € 131,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 68,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;
- bepaalt dat deze proceskosten binnen veertien dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 68,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf het einde van genoemde termijn van veertien dagen.
- verklaart dit arrest wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst de vordering tegen 3Primair af;
- veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding aan de zijde van 3Primair, die worden begroot op nihil;
- wijst het meer of anders gevorderde af.