ECLI:NL:GHDHA:2017:16
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- M.J. van der Ven
- J.M. van der Klooster
- C.J. Verduijn
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot schorsing tenuitvoerlegging uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis
In deze civiele procedure heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen vonnissen van de kantonrechter waarin haar vorderingen werden afgewezen en zij werd veroordeeld tot betaling van een aanzienlijk bedrag aan geïntimeerde. Appellante verzocht het hof om de tenuitvoerlegging van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis te schorsen, omdat zij niet over de financiële middelen beschikt om aan de veroordeling te voldoen en de executie haar onderneming en reputatie ernstig zou schaden.
Het hof overwoog dat hoewel een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard in beginsel direct kan worden geëxecuteerd, de appelrechter op grond van artikel 351 Rv Pro de tenuitvoerlegging kan schorsen. Echter, appellante heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die afwijken van de eerdere gemotiveerde beslissing van de kantonrechter. Ook is niet gebleken van een kennelijke juridische of feitelijke misslag in het vonnis.
Het hof nam mee dat geïntimeerde een toezegging had gedaan om de executie te beperken tot een bedrag van € 50.000 zolang het hoger beroep loopt. Dit bedrag achtte het hof redelijk en goed op te brengen door appellante. Bij een belangenafweging weegt het belang van geïntimeerde om het vonnis ten uitvoer te leggen zwaarder dan het belang van appellante bij het behoud van de status quo.
Daarom wees het hof het verzoek tot schorsing af en hield de beslissing over de kosten van het incident aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak. De zaak werd verwezen naar de rol voor verdere behandeling van het hoger beroep.
Uitkomst: Verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis wordt afgewezen.