Belanghebbende, eigenaar van het motortankschip [Y], kreeg naheffingsaanslagen accijns en voorraadheffing opgelegd na een controle waarbij monsters werden genomen uit de bunkertanks. De monsters toonden dat de gasolie niet voldeed aan de wettelijke eisen voor herkenningsmiddelen en zwavelgehalte. Belanghebbende betwistte de juistheid van de feitenvaststelling, de bevoegdheid van de douaneambtenaren, de representativiteit van de monsters en de rechtmatigheid van de boete.
De rechtbank oordeelde dat de monsters rechtsgeldig waren genomen, representatief waren en dat de naheffingsaanslagen en boete terecht waren opgelegd. In hoger beroep bevestigde het Hof dit oordeel. Het Hof stelde vast dat de monsters via tappunten waren genomen onder toezicht van de inspecteur en dat de kapitein toestemming had gegeven. De stelling dat de monsters niet representatief waren, werd verworpen omdat de bunkertanks onderling verbonden waren en Solvent Yellow een homogene vloeistof vormt.
Verder oordeelde het Hof dat de Inspecteur bevoegd was tot het nemen van monsters en dat de delegatiebepalingen in de Wet op de accijns en de Uitvoeringsregeling waren nageleefd. De boete werd passend geacht omdat belanghebbende geen bewijs had geleverd dat zij niet aan haar fiscale verplichtingen had kunnen voldoen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.