ECLI:NL:GHDHA:2017:1498
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging gezamenlijk ouderlijk gezag in hoger beroep afgewezen wegens onvoldoende gronden
In deze zaak staat het geschil omtrent het ouderlijk gezag over drie minderjarige kinderen centraal. De vader, die in detentie verblijft, is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam waarin het gezamenlijk gezag werd beëindigd en het gezag aan de moeder werd toegekend. De moeder verzocht om eenhoofdig gezag wegens een ernstig verstoorde relatie en communicatieproblemen.
De rechtbank had het gezamenlijk gezag beëindigd op grond van gewijzigde omstandigheden, namelijk de detentie van de vader. De moeder stelde dat gezamenlijke uitoefening van het gezag praktisch onuitvoerbaar en niet in het belang van de kinderen was, mede vanwege haar PTSS als gevolg van huiselijk geweld. De vader voerde aan dat de moeder geen feitelijke problemen met zijn toestemming kon aantonen en dat het gezamenlijk gezag behouden moest blijven.
Het hof overweegt dat hoewel de communicatie moeizaam is en er sprake is van een verstoorde relatie, beide ouders liefdevol zijn jegens de kinderen en de vader ondanks detentie betrokken blijft. Er is geen onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders. Ook is geen noodzaak tot wijziging van het gezag aangetoond. Daarom vernietigt het hof de bestreden beschikking voor zover het gezamenlijk gezag is beëindigd en wijst het het verzoek van de moeder af. De proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof vernietigt de beëindiging van het gezamenlijk gezag en wijst het verzoek van de moeder tot eenhoofdig gezag af.