Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 23 mei 2017
1. [appellant],
2. [appellante],
Stichting Havensteder,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
eersteen de
derdegrief weerspreekt [appellanten] de in eerste aanleg ingenomen stelling van Havensteder dat de vetvangput lang niet geleegd is, waardoor die verstopt is geraakt en het water niet meer kon worden afgevoerd. [appellanten] heeft, onder overlegging van productie 11, aangevoerd dat de vetafscheider in augustus 2011 en juli 2012 is geleegd. Ook is bestreden dat het onderhoud van de vetput voor rekening van [appellanten] komt.
tweedegrief betoogt [appellanten] dat Havensteder het luik ontoegankelijk heeft gemaakt en dat er sindsdien door Havensteder geen preventief onderhoud aan de riolering is verricht. Het was dan ook voor [appellanten] onmogelijk om bij aanvang van de huurovereenkomst onderzoek te verrichten. In de
vierdegrief wordt aangevoerd dat Havensteder bij aanvang van de huurovereenkomst, op vragen van [appellanten] over vloer, fundering en riolering, heeft aangegeven dat dit allemaal in orde was. Havensteder heeft aldus haar mededelingsplicht geschonden, hetgeen zwaarder zou moeten wegen dan de door de kantonrechter aangenomen onderzoeksplicht van [appellanten].