ECLI:NL:GHDHA:2017:1444
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing toelating schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw ex-bestuurder
De appellant heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend tot toelating tot de schuldsaneringsregeling vanwege een totale schuldenlast van ruim €266.000. De rechtbank wees dit verzoek af omdat onvoldoende aannemelijk was dat appellant zijn verplichtingen zou nakomen en voldoende zou inspannen om baten voor de boedel te verwerven.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn arbeidscontract zou worden uitgebreid, waarmee hij het door de rechtbank genoemde beletsel zou hebben weggenomen. Het hof beoordeelde het verzoek zelfstandig en oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij te goeder trouw was geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van een deel van zijn schulden.
Met name ging het om schulden aan Rabobank en ABN AMRO, ontstaan bij het faillissement van een B.V. waarvan appellant bestuurder was en waarbij sprake was van onbehoorlijk bestuur wegens niet-naleving van de boekhoudplicht. De curator had appellant niet aansprakelijk gesteld wegens gebrek aan verhaalsmogelijkheden. Ook een schuld aan de Belastingdienst werd niet toegelicht en goede trouw werd niet aannemelijk geacht.
Het hof concludeerde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij te goeder trouw was en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank dat het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling afwees.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af wegens onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw.