Belanghebbende had BPM betaald over een gebruikte auto uit Duitsland en maakte bezwaar tegen de hoogte van de belasting. De inspecteur verleende ambtshalve een gedeeltelijke teruggaaf, maar zonder rentevergoeding. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en bepaalde een vermindering van de BPM, inclusief proceskostenvergoeding.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat ook rente op de teruggaaf moest worden vergoed conform het Unierecht (Irimie-terugbetalingsrente). Het Hof oordeelde dat de nationale regeling die vereist dat een afzonderlijk verzoek binnen zes weken wordt ingediend, strijdig is met het Unierecht. De rente moet ambtshalve tegelijk met de teruggaaf worden vergoed om effectieve rechtsbescherming te waarborgen.
Het Hof vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het de rentevergoeding betrof, stelde de verschuldigde BPM definitief vast, en veroordeelde de inspecteur tot betaling van rente over het teruggegeven bedrag vanaf de dag na de onverschuldigde betaling. Tevens werd de Staat veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep. Proceskosten en griffierechten werden eveneens toegewezen aan belanghebbende.