VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. Het hof dient nog een oordeel te geven over de waarde van de aandelen in de vennootschap [bedrijf 1] , inclusief haar deelneming [bedrijf 2] , alsmede over het verzoek tot proceskostenveroordeling.
2. De rechtbank heeft in haar bestreden beschikking van 3 oktober 2014 overwogen: “De rechtbank kan daarom de waarde van de aandelen niet bepalen en zal beslissen dat de aandelen van [bedrijf 1] aan de man worden toegedeeld onder de verplichting de helft van de waarde op de peildatum van werkelijke verdeling aan de vrouw te vergoeden.”
3. Bij brief van 31 januari 2017 heeft de vrouw nog aan de orde gesteld de pensioenverevening en heeft zij haar verzoek vermeerderd. Gelet op het gemotiveerde bezwaar van de man tegen de vermeerdering van het verzoek van de vrouw in dit stadium van het appel met verzoeken ter zake van pensioenverevening, zal het hof deze niet bij de beoordeling betrekken. Het hof acht de handelwijze van de vrouw in strijd met een goede procesorde nu zij in dit stadium van het proces nog haar verzoek vermeerdert. Bovendien heeft de deskundige bij het opstellen van het deskundigenbericht geen rekening kunnen houden met de gegevens zoals de vrouw deze op
31 januari 2017 in het geding heeft gebracht.
4. De deskundige is in zijn deskundigenbericht tot de volgende conclusies gekomen. De vordering van de onderneming op de man in privé bedraagt € 385.529,-. De deskundige constateert dat dit bedrag inbaar zal zijn, indien de man over andere te liquideren vermogensbestanddelen beschikt dan slechts de vordering op de vrouw uit hoofde van de overeengekomen afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden (€ 207.428,-) tot een beloop van minimaal circa € 180.000,-. Zo niet dan is de waarde van de vordering minimaal op
€ 207.428,- (de omvang van de vordering op de vrouw) te stellen. Omdat de deskundige - ondanks herhaalde verzoeken daartoe - niet over alle benodigde stukken van de zijde van de man kon beschikken, is hij er vanuit gegaan dat de vordering geheel inbaar is en vertegenwoordigen de aandelen van [bedrijf 1] (hierna: de holding) op basis van liquidatiewaarde per 31 december 2014 een waarde van € 143.470,-. Indien echter uit wordt gegaan van een inbaarheid van € 207.428,- dan bedraagt de liquidatiewaarde nihil. In de waardering van de aandelen van de holding is de waarde van de deelneming [bedrijf 2] op nihil gesteld, gezien het negatieve eigen vermogen per 31 december 2014 van [bedrijf 2] van € 118.850,-. Om die reden is ook de vordering van de holding op [bedrijf 2] van
€ 50.218,- niet inbaar geacht. De tegen fiscale grondslagen gewaardeerde pensioenvoorziening in eigen beheer van € 56.442,- die door de holding is toegezegd, dient ten behoeve van de liquidatiebalans aangepast te worden naar een commerciële waarde van de pensioenverplichting van € 240.796,-.
5. De vrouw kan zich vinden in het deskundigenbericht met uitzondering van de daarin vastgestelde vordering van de man op de vrouw uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van € 207.428,-. Deze vordering is gebaseerd op verschillende onderlinge verrekeningsposten, waaronder de rekening-courantschuld van € 104.732,- per
31 december 2012, terwijl de peildatum 23 mei 2012 is. Bij gebrek aan wetenschap over de hoogte van de rekening-courantschuld op 23 mei 2012 betwist de vrouw dat partijen over de hoogte van de vordering overeenstemming hebben.
6. De man kan zich vinden in de conclusies van de deskundige, maar wenst te benadrukken dat de vordering van de holding op de man oninbaar is, althans inbaar voor maximaal het bedrag van € 194.553,-. De waarde van de aandelen per 31 december 2014 is dan ook nihil. Ter onderbouwing van deze stelling legt de man onder meer de aangifte en aanslag inkomstenbelasting 2014 en de aangifte inkomstenbelasting 2015 over. Het hof begrijpt de stelling van de man aldus dat hij onvoldoende liquide middelen heeft om de vordering te kunnen voldoen.
7. Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de totale schuld van de man in privé aan de holding per 31 december 2014 € 385.529,- bedraagt. De vrouw stelt dat deze vordering volledig inbaar is. Zij voert hiertoe onder meer aan dat de man een vordering op haar heeft uit hoofde van de afwikkeling huwelijkse voorwaarden die gebruikt kan worden om de schuld af te lossen. Voorts heeft de man een eigen woning met een overwaarde tussen de € 95.000,- en € 200.000,- en is sprake van een eigen vermogen op de balans van € 143.470,-. Ook heeft de man aandelen in [bedrijf 3] In totaal kan de man dan ook over een vermogen van minstens € 400.000,- beschikken, aldus de vrouw. De man heeft deze stellingen gemotiveerd weersproken.
8. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat de man over liquide middelen dan wel andere vermogensbestanddelen dan de vordering op de vrouw uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden beschikt om de vordering die de holding op hem heeft te voldoen. Uit de aan het hof overgelegde aangifte en aanslag inkomstenbelasting 2014 en aangifte inkomstenbelasting 2015 blijkt dat de man niet tot nauwelijks box 3 vermogen heeft. De man heeft weliswaar een woning in eigendom waarvan de WOZ-waarde in 2016 is vastgesteld op € 535.000,-, maar de man bewoont deze woning met zijn gezin en er rust een hypothecaire geldlening op van € 441.181,-. Uitgaande van een executiewaarde variërend tussen de 70 en 80%, is het hof met de deskundige van oordeel dat de overwaarde op de woning niet in aanmerking kan worden genomen bij het bepalen van de inbaarheid van de vordering. De stelling van de vrouw dat de woning veel meer waard is dan de vastgestelde WOZ-waarde en de overwaarde te gelde kan worden gemaakt, heeft zij, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de man, onvoldoende onderbouwd. Het hof is dan ook van oordeel dat de man niet over de middelen beschikt om de schuld aan de holding te voldoen, anders dan de vordering die hij heeft op de vrouw uit hoofde van de afwikkeling huwelijkse voorwaarden. Het hof gaat daarbij uit van een rekening-courantschuld van € 104.732,- per december 2012, mede gezien de stellingen van de vrouw te dien aanzien in haar beroepschrift, zodat de totale vordering van de man op de vrouw uit hoofde van de afwikkeling huwelijkse voorwaarden € 207.428,- bedraagt. Ook indien uitgegaan wordt van een rekening-courantschuld van € 78.982,- op 23 mei 2012 zoals de vrouw thans stelt, blijft de waarde van de aandelen van de onderneming nihil nu de vordering van de holding op de man niet volledig inbaar is. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen met betrekking tot de toedeling van de aandelen echter met dien verstande dat de waarde van de aandelen in [bedrijf 1] nihil is.
9. De deskundige heeft om een schadeloosstelling van zijn werkzaamheden gevraagd voor een bedrag van (11.797,50 + 1.815,- =) € 13.612,50. Gezien de aard en omvang van de opdracht acht het hof dit een redelijk bedrag en zal de schadeloosstelling vast stellen conform de door de deskundige gevraagde schadeloosstelling.
10. De kosten van de deskundige moeten door beide partijen voor een gelijk bedrag worden gedragen. Het hof ziet in de stellingen van de vrouw geen aanleiding om de man in de kosten van het deskundigenbericht te veroordelen.
11. Gezien het feit dat de griffier van dit hof reeds de schadeloosstelling ten laste van Rijkskas aan de deskundige heeft betaald, dienen partijen ieder hun aandeel in de schadeloosstelling aan de griffier van dit hof te voldoen. Ieder der partijen dient derhalve aan de griffier van dit hof te voldoen de somma van (13.612,50/2 =) € 6.806,25,-.
12. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren. Het hof ziet onvoldoende aanleiding om de vrouw in de kosten van de procedure te veroordelen zoals door de man verzocht.
13. Dit leidt tot de volgende beslissing.