ECLI:NL:GHDHA:2016:911
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- P.B. Kamminga
- A. Labohm
- C.M. Warnaar
- Rechtspraak.nl
Afwikkeling huwelijksgoederengemeenschap en regresvordering over voorhuwelijkse lening
Partijen waren gehuwd in gemeenschap van goederen en zijn in 2007 gescheiden. Bij beschikking is de verdeling van de gemeenschap vastgesteld, waarbij de man een appartementsrecht toebedeeld kreeg en partijen ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn voor een lening bij een stichting.
De man stelt dat hij de schuld aan de stichting heeft afgelost en zoekt regres op de vrouw voor de helft. De vrouw betwist het bestaan en de aanwending van de lening. Het hof bevestigt het gezag van gewijsde van de eerdere beschikking en gaat uit van het bestaan van de lening.
Het hof oordeelt dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat het geleende bedrag is aangewend voor aankoop en exploitatie van het pand. Ook wijst het hof het beroep af dat sprake is van een fatale termijn voor aanwending van het geld. De vordering tot medewerking aan levering wordt afgewezen omdat de man de overbedelingsschuld niet heeft voldaan.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de schuld per peildatum € 28.452,- bedraagt en dat geen rente verschuldigd is over de lening. De man heeft geen recht op wettelijke rente over zijn regresvordering omdat het een renteloze lening betreft en de schuld niet is gedelgd. Het hof compenseert de proceskosten en wijst het beroep af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep van de man af.