Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 23 februari 2016
Het verdere verloop van het geding
Beoordeling van het hoger beroep
- Niet alleen moet de conclusie uit de gewisselde processtukken zijn dat er geen sprake is van een perfecte overeenkomst middels aanvaarding door de vrouw van het aanbod van de man. Voor het geval daar al sprake van zou zijn – quod non – is sprake van verjaring, nu tussen 3 juni 1996 en 3 juni 2001 noch een stuitingshandeling is verricht, noch nakoming is gevorderd in een bodemprocedure of kort geding.
- In feite kan uit de brief van 8 mei 1996 van mr. van Duivenbooden (destijds advocaat van erflater) geen aanbod voor de boedelscheiding worden gelezen, nu die brief geheel gaat over het feit dat de man terug wil keren naar de echtelijke woning om daar met de kinderen te gaan wonen.
- In reactie op de hiervoor genoemde brief schrijft mr. Nijman-Kraus (destijds advocaat van de vrouw): “Mijn cliënt stelt voor dat partijen de verdeling van de huwelijksgemeenschap op korte termijn regelen,
- Bij brief d.d. 9 mei 1996 heeft de advocaat van appellante aan appellante het volgende bericht: “Tevens verzoek ik u mij schriftelijk te berichten of u ermee kunt instemmen dat de echtelijke woning aan uw echtgenoot wordt toegescheiden zonder nadere verrekening, onder de voorwaarde dat hij alle schulden van partijen op zich neemt en de v.o.f. aan uw ex echtgenoot wordt toegescheiden zonder nadere verrekening.”
- Bij brief van 14 mei 1996 reageert appellante dienaangaande naar haar advocaat als volgt: “Voorts kan ik u mededelen dat ik ermee instem dat de echtelijke woning aan mijn ex-echtgenoot wordt toegescheiden zonder nadere verrekening, onder de voorwaarde dat mijn ex-echtgenoot alle schulden van partijen op zich neemt en de v.o.f. aan hem wordt toegescheiden zonder nadere verrekening.”
- Bij brief van 3 juni 1996 bericht de advocaat van appellante aan de advocaat van erflater onder meer als volgt: “Mijn cliënte stelt voor dat partijen de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap op korte termijn regelen, waarbij mijn cliënte ermee kan instemmen dat de echtelijke woning, alsmede de hypothecaire geldlening in verband met deze woning aan uw cliënt tevens zullen worden toegescheiden alle schulden van partijen.”
- Erflater heeft in ieder geval met zijn oudste dochter – nadat appellante de woning had verlaten – bezit genomen van de woning. Appellante is verhuisd naar een andere woonplaats.
- Erflater en nadien geïntimeerde hebben de lasten voldaan met betrekking tot de woning. Na het overlijden van erflater heeft appellante op aanslag het eigenaarsdeel betaald van de WOZ omdat zij nog steeds als (mede)eigenaar in het Kadaster staat ingeschreven. Tijdens het pleidooi is door appellante verklaard dat zij niet de hypotheekrente heeft betaald.
- Erflater heeft alle gemeenschapsschulden voor zijn rekening genomen en betaald.