ECLI:NL:GHDHA:2016:4422

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
27 september 2016
Publicatiedatum
4 april 2023
Zaaknummer
200.188.666/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 347 lid 1 RvArt. 4.2 SORArt. 4.4 SOR
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis in verzet inzake achterstallige betaling creditcards

In deze civiele zaak stond een geschil omtrent achterstallige betaling van creditcards centraal. Appellant was in eerste aanleg in verzet gegaan tegen ICS, de creditcardmaatschappij. Na een comparitie op verzoek van partijen is het hoger beroep behandeld volgens de Second Opinion-procedure (SOR).

Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank Rotterdam niet had beslist overeenkomstig zijn conclusies in eerste aanleg. Het hof heeft echter de overwegingen van de rechtbank overgenomen en het vonnis in verzet bekrachtigd zonder nadere motivering, conform artikel 4.2 SOR.

De kosten van het hoger beroep worden beperkt tot het door ICS betaalde griffiegeld en het toepasselijke liquidatietarief voor de comparitie. Appellant wordt veroordeeld in deze kosten, begroot op €3.115,-. Hiermee is het geschil in hoger beroep definitief beslecht.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis in verzet en veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel Recht
Zaaknummer: 200.188.666/01
Zaak-/rolnummer rechtbank: C/10/4 70625 / HA ZA 15-198

Arrest van 27 september 2016

In de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. J.C. Hardam te Schiedam,
tegen

International Card Services B.V.,

gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
hierna te noemen: ICS,
advocaat: mr. A.D. Lindenbergh te Rotterdam.

Het verdere verloop van het geding

Het verloop van het geding tot 26 april 2016 blijkt uit het tussenarrest van die datum waarin een comparitie na aanbrengen is bevolen. Ter comparitie, die heeft plaatsvonden op 5 juli 2016, is namens beide partijen toelating tot de Second Opinion-procedure verzocht.
Dit verzoek is toegestaan. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt.

Beoordeling van het hoger beroep volgens de Second Opinion-procedure

Met het namens hen ter zitting gedane en toegestane verzoek (zoals vastgelegd in het proces-verbaal van de zitting) hebben partijen ingestemd met het SOR en worden zij geacht de conclusies als bedoeld in artikel 347 lid 1 Rv Pro te hebben genomen (zie ook de artikelen 3.3 en 3.4 SOR). Daarmee luidt de enige grief van [appellant] dat de rechtbank Rotterdam in het vonnis in verzet van 16 december 2015 niet heeft beslist overeenkomstig hetgeen hij in eerste aanleg had geconcludeerd.
Het hof - dat kennis heeft genomen van de stukken van de eerste aanleg - neemt de overwegingen van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne. Derhalve zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. Dit behoeft, gezien artikel 4.2 SOR, geen nadere motivering.
Als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de daarop gevallen kosten, die ingevolge artikel 4.4 SOR beperkt zijn tot het door ICS betaalde griffiegeld van € 1.957,- en, nu een comparitie heeft plaatsgevonden, één punt volgens het toepasselijke liquidatietarief zijnde € 1.158,-..

Beslissing

Het gerechtshof:
  • bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis in verzet van de rechtbank Rotterdam van 16 december 2015;
  • veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van ICS begroot op € 3 .115,-, waarvan € 1.957,- voor verschotten en € 1.158,- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door mrs. D.A. Schreuder, M.M. Olthof en M. Flipse en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 september 2016 in aanwezigheid van de griffier.