Beoordeling van het hoger beroep
1. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad en onder afwijzing van het meer of anders gevorderde:
in conventie:
- de man veroordeeld om aan de vrouw tegen kwijting te betalen € 4.027,40, vermeerderd met de wettelijke rente daarover in de zin van artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, alsmede tot betaling van de toekomstige aflossingstermijnen, vermeerderd met de wettelijke rente over die betalingen vanaf de datum van elke betaling door de vrouw tot de dag van algehele voldoening;
- voor recht verklaard dat de man aansprakelijk is voor het terugbetalen van de schuld aan [naam geldverstrekker] (hierna: [naam geldverstrekker] );
- de man veroordeeld in de proceskosten, tot aan de uitspraak aan de zijde van de vrouw vastgesteld op € 312,80 aan verschotten en € 400,- aan salaris gemachtigde;
in reconventie:
- de vordering in reconventie afgewezen;
- de man veroordeeld in de proceskosten, tot aan de uitspraak aan de zijde van de vrouw vastgesteld op € 100,- aan salaris voor de gemachtigde.
2. De man vordert dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
- de vordering in conventie in zijn geheel zal afwijzen en de vordering in reconventie alsnog in zijn geheel zal toewijzen;
- de vrouw zal veroordelen in de kosten van beide instanties.
In eerste aanleg heeft de man in reconventie gevorderd:
- te bepalen dat de vrouw aan de man de helft van de maandelijkse aflossingsbedragen, zijnde een bedrag van € 361,40 per maand, voldoet behoudens de maanden april 2013 en januari 2014, over de periode vanaf afsluiting van de leningsovereenkomst tot de datum van het vonnis, te voldoen binnen twee weken na uitspraak of de betekening daarvan;
- te bepalen dat de vrouw vanaf de datum van het vonnis of de betekening daarvan de helft van de maandelijkse lasten aan hem voldoet of rechtstreeks aan de geldverstrekker, tot de datum van volledige inlossing van de geldlening.
3. De vrouw vordert dat het dit hof moge behagen, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis te bekrachtigen, met veroordeling van de man in de kosten van dit hoger beroep.
4. Kort weergegeven gaat het in deze zaak om het volgende. De kern van de zaak is de vraag of de vrouw de schuld uit hoofde van een door partijen op 23 augustus 2012 met [naam geldverstrekker] (hierna ook: de kredietgever) gesloten kredietovereenkomst mede moet dragen.
5. Partijen hebben zich jegens de kredietgever hoofdelijk verbonden de kredietsom vermeerderd met de kredietvergoeding van € 23.737,20, in totaal € 86.737,20, in 120 maandelijkse termijnen van € 722,81 af te lossen.
6. Volgens de vrouw dienen deze aflossingen alleen voor rekening van de man te komen.
7. De man is van mening dat deze aflossingen bij helfte door ieder van partijen dienen te worden gedragen.
8. Gezien de onderlinge samenhang tussen grief 1 en grief 2 zal het hof deze grieven gezamenlijk bespreken.
9. Uit de toelichting op de grieven van de man volgt dat hij van mening is dat de vrouw gelijk draagplichtig is met betrekking tot de hiervoor genoemde geldlening. Door de man wordt onder meer het navolgende naar voren gebracht. Partijen zijn de geldlening gezamenlijk aangegaan. Uit dat feit mag geconcludeerd worden dat het ook de bedoeling van partijen was dat zij gezamenlijk verantwoordelijk waren en bleven voor de aflossingen. Een deel van de uit de kredietovereenkomst afkomstige gelden is aangewend voor de gezamenlijke huishouding, waardoor partijen meer financiële armslag kregen. De rechter heeft een onjuiste uitleg gegeven aan de door partijen op 30 mei 2008 gesloten samenlevingsovereenkomst. Door de huidige uitleg die de rechter aan de bedoeling van partijen heeft gegeven en waardoor het gehele bedrag van de afgesloten lening aan de man wordt toegedeeld, eindigt de man met een grotere schuld doordat de gelden voor een groot deel in de huishouding zijn verbruikt.
10. Door de vrouw is gemotiveerd verweer gevoerd. Het hof begrijpt uit het verweer van de vrouw dat zij zich op het standpunt stelt dat de geldlening bij [naam geldverstrekker] uitsluitend is aangegaan om gelden te verwerven waarmee de man zijn eigen schulden zou kunnen aflossen. De vrouw was gehouden de overeenkomst mede te ondertekenen aangezien de man niet over voldoende inkomsten beschikte om alleen een kredietovereenkomst te sluiten. In de visie van de vrouw is de man zelf verantwoordelijk en aansprakelijk voor de terugbetaling van de lening aan de kredietgever. De man droeg ook altijd, op een enkele maand na, zelf zorg voor betaling van het maandelijks terug te betalen bedrag van € 722,81 aan [naam geldverstrekker] . Voorts is door de vrouw gesteld in punt 19 van haar memorie van antwoord dat alle bedragen uit de kredietovereenkomst zijn uitgekeerd op een rekeningnummer dat alleen op naam van de man stond en waarover de vrouw geen beschikking had.
11. Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen bestaat een geschil omrent de uitleg van artikel 2 onder c van de samenlevingsovereenkomst. Deze uitleg dient te geschieden aan de hand van de Haviltexmaatstaf. Deze maatstaf brengt mee dat ook indien bij de uitleg van een overeenkomst groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen, de overige omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft immers de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De Haviltexmaatstaf is ook van toepassing indien partijen op de tekst van de overeenkomst haaks op elkaar staande bedoelingen en verwachtingen baseren en geen van beider interpretaties aanstonds volstrekt onaannemelijk is.
12. Onbestreden is dat de man in de periode dat partijen samenleefden de verplichtingen voortvloeiende uit de kredietovereenkomst heeft voldaan. De man heeft niet aangetoond dat hij met de geldlening van [naam geldverstrekker] onder meer kosten van de huishouding heeft betaald, mede bezien de gemotiveerde betwisting van de vrouw ter zake van deze stelling. Vast staat eveneens dat de man een aanzienlijke schuldenlast had voordat partijen een samenlevingsovereenkomst met elkaar sloten. De vrouw heeft expliciet aangegeven dat het niet haar bedoeling was dat zij draagplichtig zou worden voor de schuld aan [naam geldverstrekker] . Deze schuld is aangegaan louter en alleen voor de financiering van de schulden van de man die zijn ontstaan voor de samenleving van partijen. De vrouw heeft alleen richting de kredietgever meegetekend omdat de man op zijn naam niet de geldlening kon afsluiten. Gezien de lezing van de vrouw, het gedrag van de man gedurende de samenleving is het hof van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 2 onder c van de samenlevingsovereenkomst met zich meebrengt dat de onderhavige schuld aan [naam geldverstrekker] een schuld is die is ontstaan door de man en derhalve op grond van de samenlevingsovereenkomst uitsluitend door hem moet worden gedragen.
13. Uit het vorenstaande volgt dat de grieven van de man niet slagen en het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd onder aanvulling van de gronden.
14. Gezien het feit dat er sprake is van gewezen samenwoners zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren en wel in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt.