ECLI:NL:GHDHA:2016:4239

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
28 november 2016
Publicatiedatum
16 februari 2017
Zaaknummer
22-000903-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 410 SvArt. 416 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in hoger beroep tegen TBS-maatregel

Het gerechtshof Den Haag behandelde het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam inzake de oplegging van een TBS-maatregel met dwangverpleging aan verdachte. Het hof constateerde dat de appelschriftuur niet was ingediend conform artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De advocaat-generaal stelde dat het maatschappelijke belang van de zaak, namelijk de noodzaak van langdurige gedwongen behandeling vanwege gevaar voor anderen, zwaarder weegt dan de procedurele fout. De verdediging betoogde dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moet worden vanwege het niet correct indienen van de appelschriftuur.

Het hof overwoog dat de wetgever aan de rechter de beoordeling heeft overgelaten of de niet-indiening van de schriftuur leidt tot niet-ontvankelijkheid. Het hof oordeelde dat het belang van het hoger beroep niet zodanig zwaarwegend is dat de niet-ontvankelijkheid achterwege kan blijven, mede omdat de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis reeds passend werd geacht.

Daarom verklaarde het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep zonder inhoudelijke behandeling van de zaak.

Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het niet correct indienen van de appelschriftuur.

Uitspraak

Rolnummer: 22-000903-16
Parketnummer(s): 10-741401-15
Datum uitspraak: 28 november 2016
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 februari 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1968,
thans gedetineerd in Vught PPC te Vught.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het openbaar ministerie ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep. Hij heeft in dit verband aangevoerd dat weliswaar is komen vast te staan dat de appelschriftuur zijdens het openbaar ministerie niet is ingediend op de wijze zoals in artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is bepaald, maar dat het maatschappelijke belang dat in het onderhavige geval op het spel staat, te weten dat verdachte langdurig gedwongen moet worden behandeld –in het kader van een TBS met dwangverpleging- omdat hij een gevaar is voor anderen, zwaarder dient te wegen dan de sanctionering van het op onjuiste wijze indienen van de appelschriftuur.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep, nu de appelschriftuur van de zijde van het openbaar ministerie niet is ingediend op de wijze zoals in artikel 410, eerste lid, Sv is bepaald en dat het door de advocaat-generaal ter zitting aangevoerde belang niet zwaarwegend genoeg is om niet tot de niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie in het hoger beroep over te gaan.
Het hof overweegt als volgt.
Met de advocaat-generaal en de verdediging stelt het hof vast dat zich in het dossier geen overeenkomstig artikel 410, eerste lid, Sv ingediende schriftuur bevindt.
Artikel 416, derde lid, Sv houdt in dat indien van de zijde van het openbaar ministerie geen schriftuur houdende grieven, als bedoeld in artikel 410, eerste lid, Sv is ingediend, het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
De wetgever heeft het derhalve aan het oordeel van de rechter overgelaten of de omstandigheid dat geen schriftuur houdende grieven, als bedoeld in artikel 410, eerste lid, Sv is ingediend, in concreto tot niet-ontvankelijkheid dient te leiden.
Het hof heeft dan ook te beoordelen of het belang van het ingestelde hoger beroep in het onderhavige geval, te weten beoordeling in hoger beroep van de vraag of oplegging van de maatregel van TBS met dwangverpleging aan verdachte passend en noodzakelijk is, zo zwaarwegend is dat een niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in het beroep achterwege dient te blijven.
Naar het oordeel van het hof is dat niet het geval. Het hof overweegt daartoe als volgt.
De toelichting die het Openbaar Ministerie heeft gegeven geeft het hof geen aanleiding om er rekening mee te houden dat in de onderhavige zaak alleen met de maatregel van TBS met dwangverpleging de uit maatschappelijk oogpunt te dienen doeleinden worden bereikt, waar die met de in het bestreden vonnis toegepaste maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis niet zouden kunnen worden bereikt.
Derhalve zal het hof het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep, zonder onderzoek van de zaak ten gronde, niet-ontvankelijk verklaren.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Bouritius, mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst en mr. TH.P.L. Bot,
in bijzijn van de griffier mr. C.B. Jans.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 november 2016.