In deze civiele zaak stond de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap centraal, met name de waardering en toedeling van een eenmanszaak en de status van een invaliditeitsuitkering. De man was in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank over de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.
De man betwistte de waarde van de eenmanszaak zoals vastgesteld door de rechtbank, omdat volgens hem de waarde van de voorraden die tot de inboedel van de garage behoren, ten onrechte in de totale waarde waren opgenomen. Het hof oordeelde dat de voorraden inderdaad tot de inboedel behoren en dat de waarde daarvan van de activa moest worden afgetrokken, waardoor de waarde van de eenmanszaak werd vastgesteld op € 18.786,-. Daarnaast stelde de man dat de invaliditeitsuitkering aan hem was verknocht en niet tot de gemeenschap behoorde. Het hof volgde dit niet omdat de man onvoldoende had gesteld en bewezen dat de uitkering betrekking had op toekomstige schade na ontbinding van de gemeenschap.
De vrouw verzocht om toewijzing van proceskosten wegens vermeend misbruik van procesrecht door de man, maar het hof wees dit af en bepaalde dat iedere partij zijn eigen kosten draagt. Het hof vernietigde de bestreden beschikking voor zover deze de verdeling van de eenmanszaak betrof en stelde de waarde en toedeling daarvan vast zoals door de man verzocht, bekrachtigde de rest van de beschikking en wees de overige verzoeken af.