Belanghebbende, een vennootschap onder firma actief in de handel van schoenen en computers, werd geconfronteerd met naheffingsaanslagen omzetbelasting over de jaren 1999 en 2000 en boetebeschikkingen. De Inspecteur stelde dat belanghebbende bewust deelnam aan een keten van btw-fraude, waarbij goederen werden doorverkocht naar Italië en Frankrijk zonder correcte aangifte van intracommunautaire verwervingen.
De Rechtbank Noord-Holland vernietigde deels de aanslagen en boetebeschikkingen, maar het Gerechtshof Amsterdam vernietigde deze uitspraak en oordeelde dat de naheffingsaanslagen en boetes terecht waren opgelegd. De zaak werd vervolgens aan de Hoge Raad voorgelegd, die prejudiciële vragen stelde aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de toepassing van het nultarief en het recht op aftrek bij betrokkenheid bij btw-fraude.
Na beantwoording van deze vragen door het Hof van Justitie en een arrest van de Hoge Raad in maart 2016, werd de zaak terugverwezen naar het Gerechtshof Den Haag. Dit hof concludeerde dat belanghebbende bewust deelnam aan de fraude en dat de naheffingsaanslagen in de omzetbelasting over 1999 en 2000 terecht zijn opgelegd, waarbij het nultarief en het recht op aftrek worden geweigerd. Het hof gelastte de Inspecteur tot vergoeding van betaalde griffierechten en wees een immateriële schadevergoeding af.
De uitspraak bevestigt dat onder het EU-recht een belastingplichtige die bewust deelneemt aan btw-fraude geen recht heeft op toepassing van het nultarief, aftrek of teruggaaf van btw, ook als de fraude in een andere lidstaat plaatsvindt. Het hof vernietigde eerdere uitspraken en besliste in het voordeel van de Inspecteur.