Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2016:333

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2016
Publicatiedatum
16 februari 2016
Zaaknummer
200.174.365/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 BWArt. 1:253a BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gelijkwaardige zorgregeling minderjarige niet gelijk aan 50%-50% verblijfstijd

In deze civiele zaak stond de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de minderjarige tussen de ouders centraal. De vader was in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank die een tweewekelijkse zorgregeling had vastgesteld. Hij stelde dat het uitgangspunt van gelijkwaardig ouderschap niet tot een 50%-50% verdeling verplicht en dat een ruimere zorgregeling in het belang van het kind was.

De moeder voerde aan dat de huidige regeling onrust veroorzaakte bij de minderjarige, dat de ouders onvoldoende samenwerken en dat de vader niet altijd aan afspraken kon voldoen. Zij stelde dat een zorgregeling met minder verblijfstijd bij de vader beter was voor de stabiliteit van het kind.

Het hof oordeelde dat het belang van het kind leidend is en dat de voorgestelde zorgregeling van de vader onvoldoende rust en regelmaat bood. De moeder's voorstel bood meer voorspelbaarheid en stabiliteit. Daarom vernietigde het hof de eerdere beschikking voor zover deze de zorgregeling betrof en stelde een nieuwe regeling vast waarbij de minderjarige elke week van dinsdag tot woensdagavond en om het weekend bij de vader verblijft. De vakantie- en feestdagenregeling werd bekrachtigd. Verzoeken van de vader voor extra contactdagen werden afgewezen omdat deze niet concreet waren en geen vermindering van discussies tussen ouders zouden bevorderen.

Uitkomst: Het hof vernietigt de eerdere zorgregeling en stelt een nieuwe regeling vast waarbij de minderjarige minder dan 50% van de tijd bij de vader verblijft, passend bij het belang van het kind.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Uitspraak : 13 januari 2016
Zaaknummer : 200.174.365/01
Rekestnummer rechtbank : FA RK 14-2926
Zaaknummer rechtbank : C/09/464405
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. K.J. Kerdel te Den Haag,
tegen
[verweerster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. M.J. Zennipman te Den Haag.
In verband met het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming te Den Haag,
hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 31 juli 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 27 mei 2015 van de rechtbank Den Haag.
De moeder heeft op 14 september 2015 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
De vader heeft op 26 oktober 2015 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
Bij het hof is voorts van de zijde van de moeder op 17 november 2015 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen ingekomen.
De zaak is op 27 november 2015 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
Tevens zijn verschenen: de heer M. Idemudia, tolk in de Engelse taal ten behoeve van de vader, en mevrouw F.S. Bernstein, tolk in de Franse taal ten behoeve van de moeder.
De raad is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de tussenbeschikking van 30 juli 2014 van de rechtbank Den Haag en de bestreden beschikking.
Bij de tussenbeschikking van 30 juli 2014 is bepaald dat aan de moeder en de vader gezamenlijk het gezag zal toekomen over de minderjarige [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige), en dat de minderjarige de hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben. Voorts is een voorlopige zorgregeling vastgesteld, inhoudende dat de minderjarige voorlopig bij de vader zal zijn iedere week op woensdag van 8.30 uur tot 18.30 uur en van vrijdag 17.30 uur tot zaterdag 18.30 uur. Partijen zijn voorts verwezen naar een voor hen bekende mediator om te trachten hun geschillen ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de kinderalimentatie door middel van mediation tot een oplossing te brengen. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
Bij de bestreden beschikking is – voor zover in hoger beroep van belang – bepaald dat de minderjarige bij de vader zal zijn:
  • de ene week van dinsdag uit de crèche tot donderdag naar de crèche;
  • de andere week van dinsdag uit de crèche tot woensdag 18.30 uur alsmede van vrijdag 17.30 uur tot zondag 17.30 uur;
  • gedurende twee weken in de zomervakantie 2015;
  • gedurende de eerste week van de kerstvakantie 2015;
  • gedurende de tweede week van de kerstvakantie 2016;
  • vanaf het moment dat de minderjarige vier jaar is, de helft van de vakanties en de feestdagen in onderling overleg te bepalen.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders verzochte is afgewezen.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken (hierna ook: de zorgregeling).
2. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking deels te vernietigen, voor zover daarin een tweewekelijkse zorgregeling is vastgesteld, en in zoverre opnieuw beschikkende:
primairhet aanvullend verzoek van de vader van 17 april 2015 alsnog toe te wijzen, in die zin dat wordt bepaald dat de minderjarige bij de vader zal zijn:
  • de ene week op maandag na de crèche tot woensdag 18.30 uur en van vrijdag 18.30 uur tot maandag naar de crèche;
  • de andere week van woensdagochtend 8.30 uur tot vrijdagochtend 8.30 uur;
subsidiairte bepalen dat de minderjarige bij de vader zal zijn:
  • de ene week van dinsdag uit de crèche tot donderdag naar de crèche;
  • de andere week van maandag uit de crèche tot woensdag 18.30 uur en van vrijdag 17.30 uur tot zondag 17.30 uur;
primair en subsidiair:
  • vanaf het moment dat de minderjarige naar school gaat, op dezelfde dagen als hierboven, met dien verstande dat waar thans ‘crèche’ staat, ‘school’ dient te worden gelezen;
  • de vakantieregeling te bekrachtigen zoals de rechtbank deze heeft vastgelegd bij bestreden beschikking;
geheel subsidiair:
- dat enige overige zorgregeling wordt vastgesteld die het hof in goede justitie juist acht.
3. De moeder verweert zich daartegen en verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad:
in principaal hoger beroep
de verzoeken van de vader af te wijzen.
in incidenteel hoger beroep
de bestreden beschikking te vernietigen voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de minderjarige de ene week van dinsdag uit de crèche tot donderdag naar de crèche bij de vader verblijft en te bepalen dat de minderjarige elke week van dinsdag uit de crèche tot woensdagavond 18.30 bij de vader verblijft en om het weekend van vrijdag 17.30 uur tot zondag 17.30 met bekrachtiging van de regeling omtrent de vakantie en feestdagen.
4. De vader verzet zich daartegen en verzoekt het hof het incidentele hoger beroep van de moeder ongegrond te verklaren en haar verzoek in het incidentele hoger beroep af te wijzen en in hoger beroep (ter aanvulling op het petitum in het beroepschrift):
  • te bepalen dat de vader naast de tweewekelijkse zorgregeling de minderjarige incidenteel (bijvoorbeeld als hij een keer vrij is doordeweeks of zijn dochters in Nederland zijn) mag ophalen van de crèche, zonder voorafgaande toestemming van de moeder, waarbij de vader de moeder wel tevoren informeert en zorgt dat de minderjarige op de vastgestelde tijd bij de moeder zal zijn, alsmede;
  • te bepalen dat de vader de minderjarige bij zich mag hebben zeven extra dagen per jaar in verband met bijzondere gebeurtenissen in het leven van de vader of de minderjarige;
  • althans enige overige aanvulling op het tweewekelijkse zorgschema vast te stellen.
5. De vader betwist dat de ouders ter terechtzitting in eerste aanleg overeenstemming zouden hebben bereikt en stelt dat hij een ruimere zorgregeling voor ogen had dan door de rechtbank is vastgesteld. De rechtbank is daarbij ten onrechte voorbij gegaan aan het betoog van de vader dat bij het vaststellen van de zorgregeling het uitgangspunt van gelijkwaardig ouderschap in acht genomen dient te worden, zoals onder meer blijkt uit de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, ECLI:NL:GHSHE:2012:BV6414. De vader stelt dat er geen enkele contra-indicatie is voor een gelijkwaardige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, nu de minderjarige aan beide ouders is gehecht en de vader vanaf de geboorte van de minderjarige een vaderrol heeft vervuld. De vader stelt voorts dat de communicatie tussen de ouders – behalve ten aanzien van de vormgeving van de zorgregeling – goed verloopt en dat zij op één lijn zitten wat betreft ideeën over opvoeding, verzorging en het bieden van een veilige en liefdevolle omgeving aan de minderjarige. Voorts voert de vader aan dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor het vastleggen van een uitgebreidere zorgregeling in de toekomst. Daarmee heeft de rechtbank niet alleen miskend dat de vader al ter zitting een uitgebreidere zorgregeling nastreefde, maar ook dat de moeder van juli 2014 tot april 2015 aan geen enkele uitbreiding heeft meegewerkt, zodat in redelijkheid niet verwacht kan worden dat partijen de regeling in onderling overleg zullen kunnen uitbreiden. Bovendien heeft de rechtbank ten onrechte niet gemotiveerd waarom een uitgebreidere regeling nu of in de nabije toekomst niet kan worden vastgesteld. Gezien de restrictieve benadering van de moeder ten aanzien van het incidenteel eerder ophalen van de minderjarige uit de crèche, stelt de vader dat hij belang heeft bij een vastlegging van extra contactmomenten, bijvoorbeeld als hij een keer vrij is of zijn dochters in Nederland zijn, alsmede bij zeven extra dagen contact per jaar in verband met bijzondere gebeurtenissen in het leven van de vader of de minderjarige.
6. De moeder meent met de vader dat de rechtbank te snel overeenstemming tussen partijen heeft aangenomen. De moeder voert daartoe aan dat de huidige zorgregeling vooral voor instabiliteit in het leven van de minderjarige zorgt, waardoor hij onrustig is geworden. De moeder stelt voorts dat het partijen ontbreekt aan een goede samenwerking en verstandhouding, zodat voor co-ouderschap geen draagvlak is. De minderjarige is bovendien te jong voor een zorgregeling zoals de vader wenst, de minderjarige heeft geen vaste verblijf- en slaapplaats als hij bij zijn vader is en de vader heeft in verband met zijn werk en/of privéleven niet altijd de afspraken na kunnen komen. Voor de minderjarige ontbreekt onder de huidige zorgregeling dan ook de nodige regelmaat en structuur. De door de vader voorgestane zorgregeling zal nog meer onrust voor de minderjarige met zich meebrengen, en is derhalve niet in het belang van zijn ontwikkeling. De moeder stelt – mede in het licht van het voorgaande – voorts dat de rechtbank terecht geen aanleiding heeft gezien voor een uitgebreidere zorgregeling in de toekomst. Het aanvullend verzoek van de vader is te onbepaald, en kan derhalve niet worden toegewezen naar de mening van de moeder. In incidenteel hoger beroep stelt de moeder – onder verwijzing naar het voorgaande – dat de huidige zorgregeling voor teveel onrust zorgt en niet in het belang is van de ontwikkeling van de minderjarige. Een zorgregeling waarbij de minderjarige een nacht per week en om de week een weekeinde bij de vader verblijft zal voor meer rust en stabiliteit zorgen en is daarom in het belang van de minderjarige.
7. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
8. Ingevolge artikel 1:247, vierde lid, BW, voor zover hier van belang, behoudt een kind over wie de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen na ontbinding van het huwelijk recht op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders. Blijkens de beschikking van de Hoge Raad van 21 mei 2010 (LJN BL 7407) verplicht het uitgangspunt van gelijkwaardig ouderschap zoals vervat in artikel 1:247, vierde lid, BW niet tot een 50%-50% verdeling van de tijd die het kind bij elke ouder doorbrengt.
9. Het hof is van oordeel dat de door de vader voorgestane zorgregeling thans niet in het belang van de minderjarige is. Het hof overweegt daartoe dat uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting naar voren is gekomen dat de vader zich onvoldoende heeft aangepast aan hetgeen de minderjarige gelet op zijn nog zeer jonge leeftijd nodig heeft – rust, regelmaat en voorspelbaarheid – doordat hij veel met de minderjarige op stap is en onderneemt, op verschillende plekken verblijft met de minderjarige en niet altijd ten volle op de minderjarige gericht is of kan zijn. Op die manier biedt hij de minderjarige onvoldoende stabiliteit en ontneemt hij de minderjarige de gelegenheid zich ergens thuis te voelen.
10. Naar het oordeel van het hof biedt de door de moeder in incidenteel hoger beroep voorgestelde zorgregeling de minderjarige wel de rust, regelmaat en voorspelbaarheid waar hij gezien zijn leeftijd behoefte aan heeft. Het hof zal de bestreden beschikking derhalve vernietigen ten aanzien van de zorgregeling en de zorgregeling bepalen conform het verzoek in incidenteel hoger beroep van de moeder.
11. Het hof zal het verzoek van de vader om voor de toekomst een uitgebreidere zorgregeling te bepalen afwijzen, nu de vader dit verzoek niet in zijn petitum heeft opgenomen en nu niet is te voorzien hoe de situatie in de toekomst zal zijn en welke regeling alsdan in het belang van de minderjarige is.
12. Het hof zal voorts de verzoeken van de vader om te bepalen dat hij de minderjarige zeven extra dagen per jaar bij zich mag hebben, alsmede dat hij de minderjarige incidenteel extra van de crèche mag halen zonder voorafgaande toestemming van de moeder, afwijzen. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat de moeder zich bereid heeft verklaard om in overleg de vader extra tijd met de minderjarige door te laten brengen en niet valt in te zien hoe toewijzing van de niet gespecificeerde verzoeken van de vader zal leiden tot minder discussies tussen de ouders.
13. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover die de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:
stelt in het kader van verdeling van zorg- en opvoedingstaken vast dat de minderjarige bij de vader zal verblijven:
  • elke week van dinsdag uit de crèche of uit school tot woensdagavond 18.30 uur;
  • om de week van vrijdag 17.30 uur tot zondag 17.30 uur;
bekrachtigt de bestreden beschikking ten aanzien van de vakantie- en feestdagenregeling;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A. Mink, C.M. Warnaar en E.C.C. Punselie, bijgestaan door mr. R.S. Hogendoorn-Matthijssen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 januari 2016.