ECLI:NL:GHDHA:2016:3190

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
23 augustus 2016
Publicatiedatum
25 oktober 2016
Zaaknummer
22-000313-15
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 Sr
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging gevangenisstraf voor mishandeling met breekijzer in hoger beroep

In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor mishandeling gepleegd op of omstreeks 18 december 2013 te Papendrecht. De tenlastelegging betrof het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan een persoon met een breekijzer of hard voorwerp. In eerste aanleg werd de verdachte vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde, maar veroordeeld voor het meer subsidiair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Het hoger beroep richtte zich onder meer op de vraag of de verdachte terecht als dader was aangemerkt, waarbij de verdediging vrijspraak bepleitte op grond van onduidelijkheid over het aantal betrokken personen. Het hof oordeelde dat uit getuigenverklaringen blijkt dat vier personen betrokken waren bij het feit, waarvan drie, waaronder de verdachte, op het slachtoffer zijn afgestapt. Hiermee werd het verweer verworpen.

Het hof bracht enkele aanvullingen en verbeteringen aan in de gronden en bevestigde het vonnis waarvan beroep. De straf blijft ongewijzigd en het arrest werd uitgesproken op 23 augustus 2016 door het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Het hof bevestigt de gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, voor mishandeling met een breekijzer.

Uitspraak

Rolnummer: 22-000313-15
Parketnummer: 10-681220-14
Datum uitspraak: 23 augustus 2016
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 januari 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1990,
[adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 9 augustus 2016.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het impliciet primair en impliciet subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken. De verdachte is ter zake van het impliciet meer subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 18 december 2013 te Papendrecht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade een persoon genaamd [benadeelde partij] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal (telkens)
- ( met kracht) die [benadeelde partij] met een breekijzer/koevoet, althans met een hard voorwerp op de rug en/of op de arm(en) en/of hand(en), althans op het lichaam heeft geslagen, en/of
- ( met kracht) met een breekijzer/koevoet, althans met een hard voorwerp, in de richting van het hoofd, althans het (boven)lichaam, van die [benadeelde partij] heeft gezwaaid en/of geslagen, en/of
- ( met kracht) op en/of in de richting van het hoofd en/of op de rug en/of in de buik, althans op het lichaam van die [benadeelde partij] heeft geslagen en/of geschopt en/of getrapt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft –overeenkomstig het op schrift gestelde, aan het hof overgelegde en in het dossier gevoegde requisitoir- gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, met dien verstande dat het hof in het vonnis waarvan beroep de hierna te vermelden aanvullingen en verbetering aanbrengt.
Nadere bewijsoverweging
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep –overeenkomstig de aan het hof overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota- vrijspraak bepleit en, onder meer, betoogd dat aangever slechts drie mannen heeft gezien terwijl er volgens de getuige [getuige] vier verdachten waren en dat derhalve niet uit te sluiten valt dat er één persoon ten onrechte als verdachte is aangemerkt.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Blijkens het verhoor van de medeverdachte [getuige] d.d. 25 juli 2014, proces-verbaalnummer PL1700-2013401111-53, blz. 269 t/m 281, heeft [getuige] verklaard: “Toen [medeverdachte 1] zag dat de man was uitgestapt en de koffer had gepakt, zei hij dat wij moesten gaan. Wij zijn toen met zijn drieën uitgestapt en op hem afgelopen”. Op de vraag wie hij met “wij drieën” bedoelt heeft [getuige] verklaard: “Ik, [medeverdachte 2] en [verdachte]”. Op de vraag waar [medeverdachte 1] op dat moment was, heeft [getuige] verklaard: “In de auto”. Het hof is van oordeel dat uit deze verklaring blijkt dat vier personen betrokken zijn geweest bij het ten laste gelegde feit en dat drie van de vier personen, te weten [getuige], [medeverdachte 2] en de verdachte, op de man (aangever) zijn afgelopen. Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsvrouw.
Aanvulling toegepaste wetsartikelen:
Het hof vult de in het vonnis waarvan beroep toegepaste wetsartikelen aan met artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Aanvulling bewijsmiddel 1, zoals weergegeven in bijlage II bij vonnis van 22 januari 2015:
In de eerste zin
“Op 18 december 2012 (...)”, dient na “
2012”te worden ingevoegd “(het hof begrijpt: 2013)”.
Verbetering bewijsmiddel 5, zoals weergegeven in bijlage II bij vonnis van 22 januari 2015:
Onder
“Berichten:”wordtde huidige tekst vervangen door: “Aan: [naam] [telefoonnummer]
Datum: 10-07-2014 16:40
Hoi hoi of je [medeverdachte 1] even wil bellen op [telefoonnummer]”.
Het vonnis waarvan beroep dient derhalve onder aanvulling en verbetering van gronden te worden bevestigd.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. M. Moussault, mr. M.P.J.G. Göbbels en mr. R.C. Langeler, in bijzijn van de griffier mr. S. Imami.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 augustus 2016.
Mr. M.P.J.G. Göbbels is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.