ECLI:NL:GHDHA:2016:2979
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verdeling nalatenschap en eigendom recreatiewoning in hoger beroep
In hoger beroep is geschil ontstaan over de vraag of een recreatiewoning toebehoort aan de nalatenschap van de overleden moeder en hoe de nalatenschap verdeeld moet worden. Appellante stelt dat de recreatiewoning onderdeel is van de nalatenschap en dat de waarde daarvan verdeeld moet worden. Geïntimeerde betwist dit en voert aan dat de ouders slechts een gebruiksrecht hadden en dat de woning niet eigendom was van de moeder.
Het hof oordeelt dat appellante niet heeft bewezen dat de recreatiewoning tot de nalatenschap behoort. De ouders hadden een gebruiksrecht dat in 2010 aan geïntimeerde is overgedragen met instemming van appellante. De waarde van de inboedel wordt eveneens betwist; het hof stelt dat de inboedel geen waarde vertegenwoordigt omdat geen onderbouwing is gegeven.
In het incidenteel appel vordert geïntimeerde dat het hof zelf de verdeling vaststelt, maar het hof bepaalt dat partijen zelf uitvoering moeten geven aan de verdeling. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en gelast de verdeling van de banksaldi, waarbij ieder recht heeft op de helft van de rekeningen. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat ieder zijn eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis en gelast de verdeling van de nalatenschap zonder de recreatiewoning, waarbij ieder recht heeft op de helft van de banksaldi en ieder zijn eigen proceskosten draagt.