Uitspraak
1.Het beklag
[beklaagde, beklaagde, niet te vervolgen ter zake van – kort weergegeven – het verlaten van de plaats van ongeval als bedoeld in artikel 7 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.
Gerechtshof Den Haag
Klager deed aangifte tegen beklaagde wegens het verlaten van de plaats van een ongeval op 31 juli 2015, waarbij de auto van klager beschadigd raakte door een aanrijding met de auto van beklaagde. Een getuige verklaarde de aanrijding te hebben gezien en gehoord, en dat beklaagde zonder uit te stappen is weggereden. Beklaagde ontkende de aanrijding te hebben gemerkt, maar verklaarde bereid te zijn de schade te vergoeden.
Het openbaar ministerie besloot tot sepot onder de voorwaarde dat beklaagde de schade zou vergoeden. Klager maakte hiertegen beklag bij het gerechtshof, dat het beklag in raadkamer behandelde. Klager verscheen niet, beklaagde werd niet opgeroepen.
Het hof oordeelde dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de aanrijding heeft plaatsgevonden en dat het moeilijk voorstelbaar is dat beklaagde hiervan niets heeft gemerkt. Gezien de bereidheid van beklaagde tot schadevergoeding en het niet verschijnen van klager, acht het hof het sepot terecht en wijst het beklag af. Klager wordt verwezen naar civielrechtelijke procedures voor schadevergoeding.
Uitkomst: Het beklag wordt afgewezen en het sepot blijft in stand omdat beklaagde bereid was de schade te vergoeden.