ECLI:NL:GHDHA:2016:2452
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing omzettingsverzoek faillissement in schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam waarin zijn verzoek tot omzetting van het op eigen aangifte uitgesproken faillissement in een schuldsaneringsregeling werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.
Het hof overweegt dat appellant als bestuurder en aandeelhouder van gefailleerde vennootschappen betrokken was bij onregelmatigheden in declaratiegedrag, wat leidde tot aanzienlijke schulden bij zorgverzekeraars. Ook is sprake van buitensporige privé-onttrekkingen uit zijn vennootschappen en overbesteding, wat niet te goeder trouw kan worden genoemd.
Appellant deed een beroep op de hardheidsclausule, stellende dat hij inmiddels in loondienst is en bereid is een looptijd van vijf jaar te accepteren. Het hof acht deze omstandigheden onvoldoende om af te wijken van het oordeel dat appellant niet te goeder trouw is geweest. Het vonnis van de rechtbank wordt dan ook bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat het verzoek tot omzetting van het faillissement in een schuldsaneringsregeling afwijst wegens gebrek aan goede trouw.