ECLI:NL:GHDHA:2016:2450

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
31 maart 2016
Publicatiedatum
25 augustus 2016
Zaaknummer
200.184.985/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling wegens niet-nakoming verplichtingen en hennepteelt

De rechtbank Rotterdam heeft op 27 januari 2016 de schuldsaneringsregeling van appellant beëindigd wegens niet-nakoming van verplichtingen, het ontstaan van nieuwe schulden en het belemmeren van de regeling. Appellant stelde hoger beroep in tegen dit vonnis.

Tijdens de procedure bleek dat appellant onjuiste sollicitatiegegevens had verstrekt en niet aan zijn sollicitatieplicht had voldaan. Tevens werd een hennepkwekerij met tien planten in zijn woning aangetroffen, wat leidde tot nieuwe schulden bij Stedin en de dreiging van ontruiming van zijn woning. Ondanks dat strafrechtelijke vervolging werd voorwaardelijk geseponeerd, oordeelde het hof dat dit handelen ernstig verwijtbaar was en niet verenigbaar met de schuldsaneringsregeling.

De bewindvoerder bevestigde de tekortkomingen en adviseerde bekrachtiging van het vonnis. Het hof concludeerde dat appellant zich niet saneringsgezind had gedragen en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank. Eerder was in 2009 ook al een hennepplantage bij appellant aangetroffen, wat zijn verwijtbaarheid versterkte.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens ernstige tekortkomingen en verwijtbaar gedrag van appellant.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.184.985/01
Insolventienummer rechtbank : C/10/13/117 R

arrest van 31 maart 2016

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. T. Gümüs te Rotterdam.

Het geding

Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2013 is ten aanzien van [appellant] de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. Deze schuldsaneringsregeling is op voordracht van de rechter-commissaris beëindigd bij vonnis van deze rechtbank van 27 januari 2016. Tegen laatstbedoeld vonnis heeft [appellant] hoger beroep ingesteld bij het op 4 februari 2016 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift (met producties). Op 3 en 4 maart 2016 is een aantal producties aan het hof toegezonden. Bij brief van 8 maart 2016 heeft F.H. Entjes, de bewindvoerder, de openbare verslagen en zijn reactie op het beroepschrift aan het hof toegezonden.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 maart 2016. Verschenen zijn: [appellant], bijgestaan door zijn advocaat, alsmede namens de bewindvoerder mevrouw [naam] en mevrouw [naam].
Ter zitting heeft mr. Gümüs nog een productie overgelegd.

De beoordeling van het hoger beroep

1. De rechtbank heeft de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellant] beëindigd op grond van het oordeel dat hij een of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt (artikel 350 lid 3 aanhef Pro en onder c Fw), dat hij door zijn toedoen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmert dan wel frustreert (artikel 350 lid 3 aanhef Pro en onder c Fw), dat hij bovenmatige schulden doet of laat ontstaan (artikel 350 lid 3 aanhef Pro en onder d Fw) en dat hij tracht zijn schuldeisers te benadelen (artikel 350 lid 3 aanhef Pro en onder e Fw). De rechtbank heeft daarbij het volgende overwogen. Nu [appellant] zich heeft beperkt tot het verrichten van sollicitaties op zijn eigen vakgebied en voorts onjuiste data op sollicitatiebrieven heeft vermeld, is hij ernstig tekort geschoten in de nakoming van de sollicitatieplicht. Ook is onbetwist gebleven dat de nieuwe schulden aan het CJIB en Stedin onbetaald zijn gebleven. Hoewel [appellant] ten aanzien van zijn hennepteelt van tien planten niet strafrechtelijk vervolgd wordt, is het plegen van een strafbaar feit naar het oordeel van de rechtbank niet verenigbaar met de aard en strekking van de schuldsaneringsregeling. Een en ander geeft immers geen blijk van een saneringsgezinde houding.
2. De grieven van [appellant] hebben de kennelijke strekking de zaak in volle omvang aan het hof voor te leggen. Ter zitting van het hof heeft [appellant] zijn standpunt toegelicht.
3. De bewindvoerder heeft verklaard dat [appellant] niet aan zijn verplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling heeft voldaan. [appellant] heeft meerdere malen informatie vervalst dan wel aangepast ten aanzien van de door hem verrichte sollicitaties. Navraag bij potentiele werkgevers, waar [appellant] blijkens door hem overgelegde sollicitatiebewijzen heeft gesolliciteerd, leerde dat de desbetreffende sollicitaties nooit hebben plaatsgevonden. Als gevolg van de door [appellant] gehouden wietplantage, waarmee hij de bepalingen van de huurovereenkomst heeft overtreden, dient hij uiterlijk 3 mei 2016 zijn woning te hebben ontruimd. Een en ander geeft geen blijk van een saneringsgezinde houding. Ook is in het kader van die wietplantage een nieuwe schuld aan Stedin ontstaan. Onduidelijk is of [appellant] inkomsten heeft gegenereerd met de kwekerij. Transparantie ten aanzien van de wijze van betaling van de nieuwe schulden ontbreekt. De bewindvoerder adviseert het vonnis van de rechtbank te bekrachtigen.
4. Het hof overweegt als volgt. Vooropgesteld wordt dat van personen ten aanzien van wie de schuldsanering is uitgesproken mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om te voldoen aan de daaraan verbonden verplichtingen. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat [appellant] ernstig tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen. Op 16 juni 2015 is tijdens een inval in de woning van [appellant] een hennepkwekerij bestaande uit tien planten ontdekt uitgerust met professionele apparatuur. Als gevolg hiervan (i) is een nieuwe schuld aan Stedin ontstaan van € 391,34 (in verband met onderzoekskosten), (ii) bestaat de mogelijkheid dat de Belastingdienst een naheffingsaanslag aan [appellant] zal opleggen in verband met extra inkomsten en (iii) dient [appellant] op uiterlijk 3 mei aanstaande zijn woning te hebben ontruimd. Het, zonder goedkeuring en buiten medeweten van de bewindvoerder, tijdens de schuldsaneringsregeling op deze schaal illegaal telen van hennep, en het aldus schenden van de voorschriften van de huurovereenkomst, acht het hof ernstig verwijtbaar en onverenigbaar met de aard en strekking van de regeling. [appellant] heeft door aldus te handelen, zoals de rechtbank overwoog, blijk gegeven van een niet-saneringsgezinde houding. Een en ander vormt voldoende grond de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] ex art. 350 lid 3 onder Pro c Fw te beëindigen. Dat de officier van justitie bij beschikking van 17 augustus 2015 heeft beslist de strafzaak tegen [appellant] met betrekking tot voornoemde hennepkwekerij voorwaardelijk te seponeren doet hier niet aan af. Daar volgt niet uit dat het handelen niet strafrechtelijk verwijtbaar en niet aan [appellant] toerekenbaar is. Dit laatste is ook anderszins niet aannemelijk geworden. Dat de verwijtbare nieuwe schuld aan Stedin inmiddels is afbetaald maakt het voorgaande evenmin anders; daarmee is het feit dat [appellant] zich tijdens de schuldsaneringsregeling schuldig heeft gemaakt aan illegale praktijken niet uitgewist. Los daarvan had de kennelijk bestaande financieringscapaciteit voor het voldoen van de nieuwe schulden ook ten goede kunnen komen aan de boedel, maar dit terzijde. Eveneens ten overvloede wordt toegevoegd dat het handelen van [appellant] eens te meer kwalijk is nu reeds eerder, in 2009, een hennepplantage in zijn (toenmalige) woning is aangetroffen. Hij moet daarom bekend zijn geweest met de risico’s die voor hem en zijn woonruimte verbonden waren aan het houden van (meer) hennepplanten (dan passend in het gedoogbeleid). In het kader van eerdere hennepteelt was bovendien een schuld wegens het (illegaal) aftappen van elektriciteit ontstaan (de op de schuldenlijst opgenomen oude fraudeschuld aan Eneco ad
€ 1770, -).
5. Hetgeen meer of anders is aangevoerd kan in het kader van het onderhavige hoger beroep niet tot een ander oordeel leiden en behoeft geen nadere bespreking.
6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis dient te worden
bekrachtigd.

De beslissing

Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 januari 2016.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.C.M. van Dijk, J.M. van der Klooster en J.J. Dijk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2016 in aanwezigheid van de griffier.
Bij afwezigheid van de voorzitter getekend door de oudste raadsheer.