Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
- op 12 april 2016 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;
- op 15 april 2016 een V-formulier van diezelfde datum met bijlage.
- bepaald dat de man met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tegen kwijting aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 3.757,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en is de beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- de verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand en is deze vaststelling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Procesrechtelijk
Het geschil
het hof begrijpt: beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:
- de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud te bepalen op nihil, althans op een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag per maand, alsmede
- voor recht te verklaren dat de schuld aan [naam] een schuld van de huwelijksgemeenschap is, waarvoor partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft dienen bij te dragen, alsmede te verklaren voor recht dat de man hetgeen hij meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem aangaat, een regresrecht heeft op de vrouw.
Partneralimentatie
- huur: € 207,- (netto) per maand (rekening houdend met door de vrouw te ontvangen huursubsidie);
- abonnementskosten: € 200,- per jaar/€ 16,67 per maand;
- telefoonkosten: € 50,- per maand;
- autokosten: geen rekening mee houden: de vrouw heeft geen auto en kan zich die niet veroorloven;
- vakantiegeld: € 1.200,- per jaar/€ 100,- per maand.
€ 1.400,- per maand, zoals blijkt uit de zijdens de vrouw overgelegde salarisspecificatie van maart 2016 (productie 28). Het hof bepaalt de aanvullende behoefte van de vrouw voor die periode op afgerond € 3.462,- bruto per maand.
€ 32.147,- wegens door de man jaarlijks aan [bedrijf] onttrokken gelden voor betaling van de hypothecaire rente van de echtelijke woning). De man voert aan dat dochtermaatschappij [bedrijf] eind december 2014 is geliquideerd aangezien [bedrijf] geen belang meer had bij het voortbestaan van deze dochteronderneming. De man is project- en investmanager en kan pas factureren na afloop van een project. Daarom fluctueert de omzet van de vennootschap sterk en dient zij financiële reserves aan te houden om dalen in de omzet op te vangen. Sinds de oprichting van [bedrijf] ontvangt de man het minimale DGA-salaris van in 2014 € 44.040,- bruto per jaar.
€ 120.000,- verdient.
€ 188.191,- inmiddels is opgedroogd en dat de man zijn schulden en lasten betaalt met gelden afkomstig uit leningen bij zijn moeder. De man kan geen gelden aan [bedrijf] onttrekken nu deze vennootschap moet kunnen blijven voldoen aan haar stamrecht- en pensioenverplichtingen. Het onttrekken van gelden aan de vennootschap zal vergaande fiscale consequenties hebben. Uit de overgelegde aangifte IB 2015 volgt dat de man een totale schuldenlast heeft van
€ 514.517,-. Gelet op voormeld DGA-inkomen en deze hoge schuldenlast heeft de man naar het oordeel van het hof geen draagkracht om enige partneralimentatie te kunnen voldoen. De bestreden beschikking dient in zoverre te worden vernietigd.