Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 19 juli 2016
[…],
Gerechtshof Den Haag
In deze civiele zaak staat de aansprakelijkheid van assurantietussenpersoon [R] centraal, die de verzekeringen van [K] c.s. beheerde. Na een brand in 2010 bleek sprake van onderverzekering en discussie over de maximale uitkeringsduur van de bedrijfsschadeverzekering. [K] c.s. vorderden schadevergoeding wegens het niet tijdig waarschuwen voor onderverzekering en het niet adviseren over een langere uitkeringsduur.
De rechtbank wees een deel van de vorderingen toe, maar het hof vernietigde dit oordeel deels. Het hof stelde vast dat de uitkeringsduur van de bedrijfsschadeverzekering niet 52 maar 26 weken bedroeg, terwijl [K] c.s. redelijkerwijs mochten vertrouwen op een uitkeringsduur van 52 weken zoals eerder met hen besproken. [R] had moeten adviseren over de langere uitkeringsduur, zeker gezien de groei van het bedrijf.
Het hof oordeelde dat [R] tekort is geschoten in haar zorgplicht door niet tijdig de verzekerde sommen te controleren en niet te adviseren over de uitkeringsduur. De schade werd vastgesteld op €360.000, verminderd met €7.500 aan bespaarde premies, totaal €352.500. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd voor zover het de bedrijfsschade betrof en [R] werd veroordeeld tot betaling van €709.597 met wettelijke rente vanaf 13 mei 2011. De overige onderdelen van het vonnis werden bekrachtigd.
Uitkomst: Assurantietussenpersoon [R] wordt veroordeeld tot betaling van €709.597 schadevergoeding wegens onvoldoende zorgplicht bij onderverzekering en onjuiste advisering over uitkeringsduur.