Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 19 juli 2016
[appellant],
[geïntimeerde],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
€ 17.000,-- van [geïntimeerde] terug.
[appellant] stelt bij memorie van grieven (39) dat [geïntimeerde] voor de Mercedes € 39.700,-- heeft betaald en niet € 39.892,--. Dit is door [geïntimeerde] niet weersproken, zodat het hof het eindvonnis in zoverre zal vernietigen en zal toewijzen een bedrag van
€ 25.700,--(€ 39.700,-- min € 14.000,--).
De geldlening (b) (grief 4)
De schadevordering (a) van [appellant] (grief 1)
Grief 2
“Op basis van alle door [appellant] (ook na het tussenvonnis van 30 oktober 2013) aangevoerde feiten en omstandigheden had de rechtbank niet zonder meer mogen aannemen dat ondermeer niet is komen vast te staan dat de door [appellant] gevorderde btw over € 38.000,00. De rechtbank had een deskundige moeten benoemen, dan wel [appellant] in staat moeten stellen, zoals aangeboden, (nader) getuigenbewijs te leveren.”
Grief 3
Grief 5
Slotsom
Beslissing
- bekrachtigt de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Den Haag van 30 oktober 2013 en10 december 2014,
- veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] tegen een behoorlijk bewijs van kwijting tot een geldbedrag van € 25.700,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2012, en wijst af hetgeen [geïntimeerde] terzake meer of anders heeft gevorderd;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 704,-- aan verschotten en € 2.235,-- aan salaris advocaat;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.