Uitspraak
I.Procesgang
novum, dat het ernstige vermoeden ontstaat dat, indien dit gegeven destijds bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak tot een andere uitspraak zou hebben geleid.
Het is derhalve aan de rechter naar wie de zaak wordt verwezen de zaak opnieuw te onderzoeken en vervolgens hetzij de veroordeling te handhaven, hetzij alsnog vrij te spreken”.
Voldoende is dat het ‘ernstige vermoeden’ rijst dat de rechter tot een andere beslissing zou zijn gekomen. Zekerheid hoeft daarover dus geenszins te bestaan.”(Kamerstukken II 2008/09, 32 045, nr. 3, pag. 27).
- de eerste en tweede fase van het opsporingsonderzoek van de politie;
- de stukken met betrekking tot de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis van de verdachte;
- de stukken met betrekking tot het gerechtelijk vooronderzoek;
- het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam;
- het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van het gerechtshof te Amsterdam;
- de stukken met betrekking tot het nadere onderzoek ingevolge artikel 461 van Pro het Wetboek van Strafvordering en de procedure tot herziening, en
- het onderzoek ter terechtzitting in de procedure in herziening van het gerechtshof Den Haag.
“verhoogde suggestibiliteit en neiging tot het verdraaien en verfraaien van de waarheid, en het zelfs verzinnen van fantasieverhalen, passend bij de theatrale persoonlijkheidskenmerken”, moet worden aangenomen dat er een verband bestaat tussen de door hen vastgestelde psychopathologie en het afleggen van zijn (klaarblijkelijk voor het bewijs gebezigde) verklaringen.
II.Bewijswaardering
“Het is goed mogelijk dat hij vanuit zijn verhoogde suggestibiliteit en neiging tot het verdraaien en verfraaien van de waarheid, en zelfs het verzinnen van fantasieverhalen, passend bij de theatrale persoonlijkheidskenmerken, heeft kunnen komen tot het afleggen van een valse bekentenis. Betrokkene ervoer hoge emotionele druk, stress en vermoeidheid gedurende de verhoren. Deze factoren hebben de aanwezige pathologie bij betrokkene vermoedelijk verergerd”. Volgens de deskundigen was de invloed van de persoonlijkheidspathologie ook in de periode na de dood van [slachtoffer] duidelijk aanwezig, namelijk toen hij tegenover bekenden aangaf dat hij iets met de dood te maken had.
“Hierbij speelde betrokkenes hunkering naar aandacht en bevestiging, alsmede zijn neiging tot het verliezen van grip op zijn eigen fantasieverhalen een rol. Een vergelijkbare invloed van de pathologie op zijn gedragskeuzes en gedragingen vond plaats vanaf het moment dat hij op 17 januari 1983 een naar zijn zeggen valse bekentenis aflegde”,aldus de deskundigen.
“doorspekt met fantasieën, hunkering naar aandacht en het zoeken naar bevestiging waarbij hij zijn houding en gedrag desgewenst aan de omstandigheden aanpast en beïnvloedbaar is”.
“Het is evident dat de heer [verdachte] in januari 1983 een gevoeligheid bezat voor het afleggen van een valse bekentenis. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat de verhoren op 17 januari 1983 riskante elementen hadden. Er werd langdurig verhoord en er was mogelijk sprake van grote psychische druk en verhoortrucs. Deze combinatie van factoren zou ervoor kunnen hebben gezorgd dat [verdachte] op 17 januari 1983 over is gegaan tot het afleggen van een valse bekentenis. Het is niet ondenkbaar dat hij deze bekentenis uit angst voor nieuwe, harde verhoren pas na enige tijd heeft durven intrekken”.
III.Alternatief scenario
- [slachtoffer] is zeer waarschijnlijk in Hilversum neergeschoten tussen 8.15 uur en 9.00 uur. Vaststaat dat de verdachte om 8.30 uur op zijn werk te Laren was.
- het is niet aannemelijk dat de verdachte met een vuurwapen op [slachtoffer] geschoten heeft, aangezien er grote tegenstrijdigheden zijn wat betreft de gedemonstreerde handelingen en de verklaarde afstanden tijdens de reconstructie en de door de verdachte afgelegde verklaringen, bezien tegen de achtergronden van het forensisch onderzoek.