De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een geldboete wegens het verblijven in Nederland terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd. In hoger beroep bevestigde het hof dat de verdachte schuldig was aan het ten laste gelegde feit. De verdediging voerde aan dat de beschikking tot intrekking van de verblijfsvergunning en het inreisverbod onrechtmatig was, maar het hof verwierp dit verweer na beoordeling van de motivering en betrokken belangen.
Het hof stelde vast dat de verdachte al sinds 1983 in Nederland verblijft en sinds 1993 een verblijfsvergunning had. Na intrekking van deze vergunning in 2014 en oplegging van het inreisverbod verbleef de verdachte enkele malen in vreemdelingenbewaring, die vanwege diplomatieke problemen en belangenafwegingen werd opgeheven. De aanvraag van een laissez-passer voor gedwongen uitzetting was nog in behandeling.
Gezien de langdurige verblijfsduur, de persoonlijke omstandigheden en het feit dat de uitzetting nog niet kon worden uitgevoerd, besloot het hof geen straf of maatregel op te leggen. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het arrest bevatte een volledige motivering van deze belangenafweging.