Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 26 januari 2016
[appellant],
SB Groep Verzekeringen BV,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“Artikel 21. De Raad doet uitspraak in burgerlijke geschillen, die ter zake van de beroepsuitoefening tussen leden onderling dan wel tussen leden en derden zijn gerezen en schriftelijk aan de Raad zijn voorgelegd.2. De uitspraken van de Raad hebben kracht van bindend advies.[…]Artikel 101. De Raad neemt een geschil slechts in behandeling:a. […];b. indien een derde een geschil met een lid van het NIVRA heeft voorgelegd en deze derde de Raad heeft laten weten zich aan de uitspraak van de Raad te zullen onderwerpen, in welk geval leden van het NIVRA gehouden zijn zich aan de uitspraak van de Raad te onderwerpen, onverminderd het bepaalde in lid 2 van dit artikel;c. […].2. In het geval bedoeld in het eerste lid onder b, kan het betrokken lid van het NIVRA het geschil met voorbijgaan van de Raad bij de volgens de wet bevoegde rechter aanhangig maken op de bij de wet voorgeschreven wijze, doch uiterlijk binnen één maand nadat hem mededeling is gedaan van het aanhangig maken van een geschil bij de Raad, mits het lid de Raad daarvan gelijktijdig bij aangetekende brief in kennis stelt.[…]”
- krachtens de artikelen 6 en 13 EVRM en artikel 17 Grondwet Pro afstand van het recht op toegang tot de rechter alleen mogelijk is als dit vrijwillig, ongedwongen en ondubbelzinnig gebeurt, waarbij minimumwaarborgen in acht moeten worden genomen;
- van een vrijwillige en ondubbelzinnige keuze van [appellant] om afstand te doen van zijn recht op toegang tot de rechter geen sprake is, nu [appellant] als registeraccountant wettelijk verplicht was om lid te zijn van het NIVRA en daarmee automatisch gebonden werd aan de op 1 januari 2002 in werking getreden Verordening;
- de in artikel 10 lid 2 van Pro de Verordening genoemde mogelijkheid om het geschil voor te leggen aan de rechter niet voldoet aan de voor afstand van het fundamentele recht op toegang tot de rechter vereiste minimumwaarborgen, aangezien artikel 10 lid 2 van Pro de Verordening de disproportionele eis stelt dat de registeraccountant zelf het geschil aanhangig maakt bij de gewone rechter en de daarvoor gestelde periode van slechts één maand daarvoor bovendien te kort is;
- andere beroepsverordeningen, zoals die van het notariaat en de advocatuur, wel een uitdrukkelijke keuze van partijen vereisen om hun geschil ter beoordeling voor te leggen aan de geschillencommissie.
Bij brief van 14 september 2007 heeft SB Groep Verzekeringen een tuchtklacht ingediend tegen [appellant] bij de Raad van Tucht voor Registeraccountants en accountants-administratieconsulenten te ’s-Gravenhage (hierna: de Raad van Tucht). In deze tuchtprocedure werd [appellant] bijgestaan door mr. [naam 2] voormeld. De Raad van Tucht heeft de klacht op 8 juni 2009 ongegrond verklaard (productie 9 bij conclusie van antwoord).
“U bent ingevolge artikel 10, lid 1, sub b, van de Verordening op de Raad voor Geschillen gehouden zich aan de uitspraak van de Raad te onderwerpen. Ingevolge artikel 10, lid 2 van genoemde Verordening kunt u echter het geschil met voorbijgaan van de Raad bij de volgens de wet bevoegde rechter aanhangig maken op de bij de wet voorgeschreven wijze, doch uiterlijk binnen één maand nadat u mededeling is gedaan van het aanhangig maken van het onderhavige geschil bij de Raad, mits u de Raad daarvan gelijktijdig bij aangetekende brief in kennis stelt.Indien u geen gebruik hebt gemaakt of zult maken van de aan u in artikel 10, lid 2 van de Verordening op de Raad voor Geschillen verleende bevoegdheid, verneem ik gaarne of bovenvermelde brieven genoegzaam duidelijk maken, welk geschil SB Groep Verzekeringen B.V. aan de Raad voorlegt. (…)Indien u wél gebruik hebt gemaakt of zult maken van de aan u in artikel 10, lid 2 van de Verordening op de Raad voor Geschillen verleende bevoegdheid, ontvang ik gaarne de bovengenoemde in kennisstelling per aangetekende brief.”
“in burgerrechtelijke geschillen, die terzake van de beroepsuitoefening tussen leden onderling dan wel tussen leden en derden zijn gerezen en schriftelijk aan de Raad zijn voorgelegd”. Aangezien geen sprake is van een geschil als bedoeld in dit artikel was de Raad voor Geschillen in dit geval niet bevoegd. [appellant] voert hiertoe het volgende aan.
In de eerste plaats gaat het niet om een burgerrechtelijk geschil tussen SB Groep Verzekeringen en [appellant], maar om een burgerrechtelijk geschil tussen SB Groep Verzekeringen en BDO. Het is immers BDO die de facturering heeft verzorgd en aan wie SB Groep Verzekeringen heeft betaald, en dus ook BDO tegen wie SB Groep Verzekeringen haar vordering uit onverschuldigde betaling moet instellen. Enkel en alleen omdat BDO geen lid is van het NIVRA is de procedure bij de Raad voor Geschillen tegen [appellant] gevoerd en niet tegen BDO. De Raad voor Geschillen had dit moeten onderkennen en zich reeds daarom onbevoegd moeten verklaren.
In de tweede plaats betreft het geen geschil “terzake van de beroepsuitoefening” van [appellant], waaronder moet worden verstaan de normale werkzaamheden die behoren bij het beroep van een registeraccountant. [appellant] trad in het onderhavige geval op in hoedanigheid van bindend adviseur, een rol en hoedanigheid die significant afwijkt van zijn beroep of de normale uitoefening van zijn werkzaamheden. Kerntaak van het beroep van registeraccountant is het afgeven van controleverklaringen bij de verslaggeving door controleplichtige rechtspersonen en ondernemingen. De beroepsuitoefening omvat niet mede het bindend vaststellen van de waarde van aandelen. [appellant] is naast registeraccountant tevens register valuator, en is juist het met oog op die laatste hoedanigheid benoemd tot bindend adviseur.