ECLI:NL:GHDHA:2016:1577
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Executiegeschil over verstrekking boedelbeschrijving en legitieme portie in nalatenschap
In deze zaak staat een executiegeschil centraal tussen broer en zus omtrent de afwikkeling van de nalatenschap van hun moeder, die in 2009 is overleden. De broer is enig erfgenaam en de zus is legitimaris. De kern van het geschil betreft de omvang van de legitieme portie van de zus en de vraag of de broer voldoende stukken heeft verstrekt om deze te kunnen bepalen.
De broer was op grond van een vonnis van de rechtbank Rotterdam verplicht om een boedelbeschrijving en verificatoire stukken te verstrekken. Hij stelde dat hij aan deze verplichting had voldaan door een map met stukken te overleggen, maar het hof oordeelde dat deze map niet voldeed aan de eisen van een boedelbeschrijving zoals bedoeld in het vonnis. Zo ontbraken een korte beschrijving van alle goederen en schulden, een volledige opgave van bankrekeningsaldi en een toelichting op schulden.
De broer voerde aan dat hij als particulier niet aan de wettelijke vereisten hoefde te voldoen en dat de dwangsommen onredelijk en disproportioneel waren, maar het hof verwierp deze grieven. Er was geen sprake van misbruik van recht en de beslaglegging was niet buitenproportioneel, temeer daar de omvang van de nalatenschap en legitieme portie nog in de bodemprocedure worden betwist.
Het hof bekrachtigde het bestreden vonnis, wees de grieven van de broer af en bepaalde dat ieder van partijen de eigen kosten draagt. Het incidenteel appel van de zus werd eveneens afgewezen. Het arrest werd gewezen door drie raadsheren op 12 april 2016.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de broer niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan en wijst zijn grieven af.