ECLI:NL:GHDHA:2016:1574

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 mei 2016
Publicatiedatum
3 juni 2016
Zaaknummer
200.171.192/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwikkeling van samenwoning en opeisbaarheid van vordering wegens overbedeling

In deze zaak gaat het om de afwikkeling van een samenwoning tussen de man en de vrouw, waarbij de man in hoger beroep is gekomen tegen een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam. De man en de vrouw waren beiden eigenaar van een woning en hebben een affectieve relatie gehad tot eind 2011. De man vorderde in kort geding dat de vrouw haar medewerking verleende aan de levering van haar aandeel in de woning en de betaling van een bedrag van € 25.500,- ter zake van de restschuld. In een eerder kort geding was de vordering van de man afgewezen, waarna hij opnieuw een kort geding heeft aangespannen. De vrouw heeft in het verleden een voorstel gedaan voor de betaling van de schuld, maar de man heeft dit voorstel niet afgewacht en loonbeslag gelegd op haar inkomen.

Het hof heeft vastgesteld dat de vordering van de man wegens overbedeling nog niet opeisbaar is, omdat partijen nog geen overeenstemming hebben bereikt over de wijze van afwikkeling. De afspraken die zijn gemaakt in een proces-verbaal van 8 december 2014 en de notariële akte van verdeling zijn van belang. Het hof oordeelt dat de man niet zomaar kan overgaan tot executie van de vordering, omdat er nog overleg moet plaatsvinden over de betaling. De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd en betwist dat de man in een nijpende financiële situatie verkeert. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis, maar op andere gronden dan het oorspronkelijke vonnis, en veroordeelt de man in de kosten van de procedure in hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.171.192/01
Zaak-/rolnummer rechtbank : C/10/471729 KG ZA 15-264

arrest van 17 mei 2016

inzake
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
nader te noemen: de man,
advocaat: mr. P.S. Kamminga te 's-Gravenhage,
tegen:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
nader te noemen: de vrouw,
advocaat: mr.drs. A.M. Engelen te Velp (NB).

Het geding

Bij exploot van 13 mei 2015 is de man in hoger beroep gekomen van het vonnis door de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam, op 17 april 2015 tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde gewezen (hierna: het bestreden vonnis).
Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de voorzieningenrechter daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.
Bij memorie van grieven heeft de man vier grieven aangevoerd.
Het tegen de vrouw verleende verstek is gezuiverd.
Bij memorie van antwoord heeft de vrouw de grieven bestreden.
Op 8 april 2016 is - op verzoek van de man - pleidooi gehouden. Ter zitting zijn de man en de vrouw verschenen, ieder vergezeld van zijn/haar advocaat. Door beide partijen zijn pleitnotities overgelegd.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen verklaard ermee akkoord te gaan dat recht wordt gedaan op het procesdossier.
Vervolgens is arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Het hof gaat uit van de feiten zoals deze in het bestreden vonnis zijn vastgesteld, nu tegen de vaststelling daarvan geen grieven zijn gericht
2. Bij het bestreden vonnis is - voor zover hier van belang - het op 27 februari 2015 door de man ten laste van de vrouw onder de [werkgever van de vrouw] gelegde loonbeslag opgeheven. Voorts is de man veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3. De man vordert vernietiging van het bestreden vonnis met alsnog niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw in, dan wel afwijzing van de door de vrouw gevorderde voorziening en voor zover toegewezen, met veroordeling van de vrouw in de kosten in beide instanties, met ingang van het te dezen te wijzen arrest, te vermeerderen met de daarover te berekenen wettelijke rente tot de datum van algehele betaling.
4. De vrouw verzoekt,
het hof begrijpt: concludeert, de man niet-ontvankelijk te verklaren in het namens hem ingestelde hoger beroep, althans zijn vorderingen in hoger beroep af te wijzen onder bekrachtiging van het bestreden vonnis, voor wat betreft de daartegen door de man gerichte grieven, met veroordeling van de man in de kosten van dit hoger beroep.

Het geschil

Achtergrond
5. Partijen hebben tot eind 2011 een affectieve relatie met elkaar onderhouden en waren beiden, ieder voor de helft, eigenaar van een woning. Nadat in een eerder vonnis in kort geding de vordering van de man, de vrouw te gebieden haar medewerking te verlenen aan de levering van het haar toekomende aandeel in de woning aan de man, was afgewezen, heeft de man een tweede kort geding aanhangig gemaakt waarin hij andermaal die medewerking vordert en ook de betaling van een bedrag van € 25.500,- ter zake van de restschuld in verband met deze woning. Ter zitting in kort geding van 8 december 2014 zijn partijen overeengekomen dat de vrouw over de betaling van genoemd bedrag uiterlijk half januari 2015 een voorstel aan de man zal doen. De man heeft daarop zijn vorderingen ingetrokken. Bij notariële akte van verdeling, verleden op 18 december 2014, is die woning toegedeeld aan de man onder de voorwaarde dat hij de schulden, gedekt door de hypotheek, geheel voor zijn rekening neemt en is vastgelegd dat de vrouw ter zake een schuld heeft aan de man wegens overbedeling. In de hiervoor vermelde akte is hieromtrent opgenomen:

“In verband met de toedeling aan de man en een tussen partijen vastgestelde onderwaarde, is de vrouw een bedrag ad vijf en twintigduizend vijfhonderd euro (€ 25.500,00) aan de man verschuldigd, welke zij erkent schuldig te zijn. De verrekening ter zake zal tussen partijen in onderling overleg plaatsvinden en derhalve buiten de notaris om.”

Opeisbaarheid vordering
6. Kern van het geschil is of de vordering van de man ter zake de schuld wegens overbedeling van de vrouw opeisbaar is.
7. De man stelt zich op het standpunt dat zulks het geval is en dat hij op grond van een geldige titel, te weten de notariële akte van verdeling, afgegeven in executoriale vorm, terecht beslag heeft doen leggen op het loon van de vrouw. Volgens de man wordt zijn executiebevoegdheid slechts begrensd door misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 BW, hetgeen in casu niet aan de orde is. De man is van mening dat hij - gelet op de opeisbaarheid van de vordering - geen genoegen hoefde te nemen met het in zijn ogen onaanvaardbare betalingsvoorstel van de vrouw. De man voert aan dat ook zijn nijpende financiële situatie in aanmerking moet worden genomen. Daarnaast is de vrouw volgens hem wel degelijk in staat meer af te lossen dan zij thans doet, dan wel is zij in staat daartoe financiering bij derden te verkrijgen.
8. De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij wijst op de afspraak van partijen zoals opgenomen in het proces-verbaal van 8 december 2014, inhoudende dat de vrouw uiterlijk half januari 2015 een voorstel aan de man zou doen met betrekking tot een regeling over de schuld wegens overbedeling. Volgens de vrouw was het voor partijen toen al duidelijk dat de vrouw de restschuld van de woning niet kon financieren. De man heeft het voorstel van de vrouw niet afgewacht, maar heeft de vrouw al vanaf 24 december 2014 gedicteerd hoe zij zou moeten betalen, terwijl hij op haar tijdige en alleszins redelijke voorstellen nimmer heeft gereageerd. Door vervolgens tot executie over te gaan, heeft de man misbruik van zijn executierecht gemaakt. De vrouw betwist dat de financiële situatie van de man nijpend zou zijn of dat de man door haar toedoen in financiële problemen zou zijn geraakt. Zij voert ten slotte aan dat zij tot op heden substantieel aflost en heeft afgelost op de schuld aan de man.
9. Het hof overweegt als volgt. Krachtens artikel 6:38 BW is de vordering onmiddellijk opeisbaar als geen tijd voor nakoming is bepaald. Als wel een tijd voor nakoming is bepaald, is de vordering niet opeisbaar voor het verstrijken van de termijn, maar is de schuldenaar in beginsel wel bevoegd na te komen voor het verstrijken van de termijn (art. 6:39 BW). Of een verbintenis een tijd voor nakoming kent, en wat de strekking is van een genoemde termijn, moet worden vastgesteld aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Als het tijdstip voor de nakoming niet kan worden aangewezen, zal het tijdstip van nakoming moeten worden vastgesteld overeenkomstig de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW).
10. In beginsel beschikt de man met de grosse van de notariële akte van 18 december 2014 over een executoriale titel. De schuldverplichting van de vrouw jegens de man ad € 25.500,- staat als zodanig tussen partijen vast. Echter, partijen hebben nadere afspraken gemaakt omtrent het voldoen van die schuld. Deze afspraken zijn vastgelegd in het proces-verbaal van 8 december 2014, waarnaar de vrouw in haar memorie van antwoord verwijst, alsmede in deze notariële akte, waarin expliciet is opgenomen dat de verrekening ter zake de schuld tussen partijen in onderling overleg zal plaatsvinden en derhalve buiten de notaris om. Bij pleidooi is zijdens de vrouw nog naar deze akte verwezen. Het hof is voorts gebleken dat de voorstellen van partijen over en weer omtrent (de wijze van) voldoening van de schuld nog immer niet tot overeenstemming hebben geleid. In het licht van de voormelde tussen partijen gemaakte en vastgelegde afspraken is naar het oordeel van het hof de vordering van de man nog niet opeisbaar. Niet kan worden gezegd dat een tijdsbepaling ontbreekt, want partijen zouden nog overleg plegen over de betaling door de vrouw. Het ontbreken van overeenstemming tussen partijen omtrent de wijze waarop de vrouw aan haar schuldverplichting jegens de man dient te voldoen, staat daaraan in de weg.
11. Het hof wijst er nog op dat de enkele omstandigheid dat de man het aflossingsvoorstel van de vrouw niet acceptabel vindt, niet met zich brengt dat de vordering daarmee wel opeisbaar wordt. De man kan desgewenst vorderen het tijdstip van nakoming door de vrouw vast te stellen, wanneer een overeenstemming tussen partijen uitblijft. Dit is echter niet voorgelegd door de man.
12. Van vergoeding van rente en kosten met betrekking tot de vordering, zoals zijdens de man bij pleidooi nog is betoogd, kan - gelet op de afspraak tussen partijen over de voldoening van voornoemd bedrag van € 25.500,- - evenmin sprake zijn. Immers, nu de vordering nog niet opeisbaar is, is de vrouw niet in verzuim.
13. Dit alles brengt mee dat het bestreden vonnis - zij het op andere gronden - moet worden bekrachtigd.
Proceskosten
14. De man zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure in hoger beroep worden veroordeeld.
Bewijsaanbod
15. Gelet op de hierna te nemen beslissing gaat het hof voorbij aan het bewijsaanbod van de vrouw - wat daar verder ook van zij - nu de vrouw daarbij geen belang meer heeft.
16. Mitsdien wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
veroordeelt de man in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de vrouw tot deze uitspraak begroot op € 2.099,-, gespecificeerd als volgt:
- € 311,- griffierecht
- € 1.788,- salaris advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.A. Mink, I. Obbink-Reijngoud en B. Breederveld en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 mei 2016 in aanwezigheid van de griffier.