Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 10 mei 2016
de gemeente Aa en Hunze,
de gemeente Borger-Odoorn,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Grief Iis gericht tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat het inrichtingenbegrip uit de Wet milieubeheer niet van betekenis is voor de uitleg van het begrip “productie-installatie” in artikel 9b van de Elektriciteitswet 1998 (EW 1998).
Grief IIkomt op tegen het oordeel dat reeds sprake is van één productie-installatie wanneer tussen de verschillende productie-eenheden geografische samenhang bestaat. Met
grief IIIbetogen appellanten dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van een geografische samenhang tussen de verschillende turbines. De grieven zullen gezamenlijk worden behandeld. Daarbij dient het volgende tot uitgangspunt.
“een installatie, bestaande uit één of meer productie-eenheden, voor de opwekking van elektriciteit.”
“Een productie-installatie wordt gedefinieerd als een installatie voor de opwekking van elektriciteit. (...) Een productie-installatie kan bestaan uit meerdere productie-eenheden. Een productie-eenheid kan worden omschreven als de kleinst mogelijke entiteit waarmee zelfstandig elektriciteit kan worden opgewekt. Een aantal van die productie-eenheden die geografisch, technisch, functioneel of organisatorisch met elkaar samenhangen kunnen een productie-installatie vormen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een windmolenpark dat door één exploitant wordt beheerd of waarbij tussen de windmolens technische verbindingen bestaan. Elke windmolen is dan een productie-eenheid, terwijl het windmolenpark als geheel de productie-installatie is.”(Kamerstukken II, 2007-2008, 31 326, nr. 3, p. 15)
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 3 februari 2016;
- veroordeelt de gemeenten in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 718,- aan verschotten en € 2.682,- aan salaris advocaat en bepaalt dat over deze kosten de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van dit arrest;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.