Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Zaaknummer (hoofdzaak): 200.181.753/01 SKG
Gerechtshof Den Haag
In een civiele procedure heeft verzoekster een schriftelijk wrakingsverzoek ingediend tegen de voorzitter en raadsheren van de wrakingskamer van het Gerechtshof Den Haag. Het verzoek betrof meerdere gronden, waaronder de afwijzing van een verzoek tot behandeling achter gesloten deuren, het niet verstrekken van inzage in een e-mail, en een mededeling van de voorzitter na de zitting.
De wrakingskamer heeft het verzoek inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat er geen uitzonderlijke omstandigheden zijn die een aanwijzing geven voor vooringenomenheid of partijdigheid jegens verzoekster. De beslissing om de zitting openbaar te houden werd vooraf in raadkamer genomen en was niet onbegrijpelijk. Ook het weigeren van inzage in de e-mail werd gezien als een ordelijke zittingsmaatregel.
De mededeling van de voorzitter om verzoekster succes te wensen bij haar tuchtzaak werd als een menselijk gebaar beoordeeld en niet als partijdigheid. Verzoekster was in de gelegenheid gesteld haar standpunt te geven tijdens de zitting. Gelet op deze overwegingen werd het wrakingsverzoek afgewezen.
De wrakingskamer benadrukte het uitgangspunt dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden dit vermoeden weerleggen. De behandeling vond plaats op 1 april 2016, waarbij niemand verscheen bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de voorzitter en raadsheren is afgewezen wegens het ontbreken van aanwijzingen voor vooringenomenheid.