ECLI:NL:GHDHA:2016:111
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen navorderingsaanslag inkomstenbelasting stamrecht 2007
Belanghebbende kreeg voor het jaar 2007 een navorderingsaanslag opgelegd door de Inspecteur, waarbij de stamrechtaanspraak werd belast als loon uit vroegere dienstbetrekking. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond. In hoger beroep staat centraal of de Inspecteur bij het opleggen van de primitieve aanslag een ambtelijk verzuim heeft begaan door niet nader onderzoek te doen naar de afname van de stamrechtverplichting in de vennootschapsbelasting.
Het Hof stelt vast dat de Inspecteur de aangifte vennootschapsbelasting 2007 niet heeft geraadpleegd, terwijl daaruit een aanzienlijke afname van de stamrechtverplichting bleek die nader onderzoek had moeten uitlokken. Dit nalaten vormt een ambtelijk verzuim waardoor de navorderingsaanslag niet op een rechtvaardigend nieuw feit is gebaseerd. Daarnaast is vastgesteld dat belanghebbende het stamrecht in 2007 heeft prijsgegeven, wat correct is verwerkt in de navorderingsaanslag.
Het Hof vernietigt daarom de navorderingsaanslag, de boetebeschikking, en de renteheffingen. Tevens veroordeelt het de Inspecteur in de proceskosten en veroordeelt hem tot vergoeding van het griffierecht. De uitspraak bevestigt het belang van zorgvuldig onderzoek door de Inspecteur bij het opleggen van aanslagen en het belang van het raadplegen van relevante belastingaangiften.
Uitkomst: Het Gerechtshof vernietigt de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2007 wegens ambtelijk verzuim van de Inspecteur en veroordeelt deze in de proceskosten.