Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 7 april 2015
[appellant],
[geïntimeerde],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
ten laste van het aan de gemeente [plaats 2] in eigendom verblijvende perceel kadastraal bekend gemeente [plaats 2], sectie[nummer 5] en ten behoeve van de percelen kadastraal bekend gemeente [plaats 2], sectie[nummer 3] en [nummer 1], een recht van overpad worden verleend teneinde te voet, met een (motor)fiets of een ander klein voertuig met een breedte (inclusief buitenspiegels) van maximaal twee meter (2 m) en een gewicht van maximaal één duizend twee honderd kilogram (1.200 kg) over de bestaande brug op het lijdende erf van en naar de openbare weg te komen en te gaan;
ten laste van het in dit proces-verbaal als kavel 2 aangeduide perceel, kadastraal bekend gemeente [plaats 2], sectie[nummer 4] (gedeeltelijk) en ten behoeve van het in dit proces-verbaal als kavel 1 aangeduide perceel, kadastraal bekend gemeente [plaats 2], sectie[nummer 4] (gedeeltelijk), het recht van overpad om via het bestaande pad op kavel 2 te voet, met een (motor)fiets of een ander klein voertuig met een breedte (inclusief buitenspiegels) van maximaal twee meter (2 m) en een gewicht van maximaal één duizend twee honderd kilogram (1.200 kg) van en naar kavel 1 te komen en te gaan.
“Vooralsnog is er geen enkele aanleiding om over het verwijderen van de brug door de gemeente te speculeren. We zien daarom geen reden om op die stelling inhoudelijk in te gaan. We kunnen in zijn algemeenheid slechts aangeven dat bij het verwijderen van een dergelijke brug alle dan relevante belangen zullen worden afgewogen.”
nietis omschreven dat het doel daarvan is, te komen en te gaan van en naar de openbare weg. Hoewel toegang tot de openbare weg zonder twijfel in ieder geval mede het doel is geweest van de erfdienstbaarheid is het ontbreken van dit doel in de omschrijving in zoverre logisch dat het grindpad aansluit op een pad dat enerzijds over de oude brug gaat en anderzijds toegang geeft tot het landgoed. In zoverre is het feit dat de erfdienstbaarheid aansluit op de erfdienstbaarheid die is gevestigd ten laste van een perceel van de gemeente [plaats 2] niet doorslaggevend: de gebruiker van de erfdienstbaarheid heeft immers de keuze hetzij over de oude brug te gaan, hetzij het landgoed in te gaan. In de tekst van de akte van vestiging van de erfdienstbaarheden is in zoverre ook een onderscheid gemaakt tussen de erfdienstbaarheid ten laste van het perceel van de gemeente [plaats 2] (de erfdienstbaarheid die hierboven onder 3b onder 1 is weergegeven) en de erfdienstbaarheid ten laste van het perceel van [appellant], dat ten aanzien van de eerste wel en ten aanzien van de laatste niet de beperking is opgenomen dat deze dient om te komen en te gaan van en naar de openbare weg. Het hof is dan ook van oordeel dat uit de (context van de) in de akte gebezigde bewoordingen niet kan worden afgeleid dat de erfdienstbaarheid ten laste van het perceel van [appellant], uitsluitend ertoe strekt gebruikers van het perceel van [geïntimeerde] toegang te bieden tot de openbare weg.
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 juli 2013;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 299,- aan verschotten en € 2.235,,- aan salaris advocaat;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.