AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing schadevergoeding na voorlopige hechtenis wegens poging tot afpersing
Verzoeker verbleef van 16 maart 2012 tot 22 juni 2012 in verzekering en voorlopige hechtenis in verband met een strafzaak wegens poging tot afpersing. De rechtbank Rotterdam sprak verzoeker op 21 december 2012 vrij van medeplegen en medeplichtigheid aan poging tot afpersing. Verzoeker vroeg vervolgens op grond van artikel 89 SvPro een schadevergoeding van €8.395,- voor de tijd in detentie.
De rechtbank kende weliswaar een vergoeding toe, maar mat deze met 50% vanwege de omstandigheden van de zaak, waarbij verzoeker bewust op uitkijk stond en daarmee bewust hulp verleende aan de medeverdachten. Het hof vernietigde deze beschikking en oordeelde dat verzoeker door zijn handelen de zware verdenking op zich had geladen dat hij samen met anderen een poging tot afpersing had gepleegd.
Het hof stelde vast dat verzoeker vrijwillig deelnam aan de situatie en op de hoogte was van de rol van anderen als uitkijk. De afpersing werd slechts door politie-ingrijpen voorkomen. Daarom was de voorlopige hechtenis geheel aan verzoeker zelf te wijten en waren er geen billijkheidsgronden voor schadevergoeding. Het verzoek werd afgewezen.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek om schadevergoeding af omdat de voorlopige hechtenis aan verzoeker zelf te wijten is.
Uitspraak
datum uitspraak 29 januari 2015
GERECHTSHOF DEN HAAG
meervoudige raadkamer
BESCHIKKING
gewezen op het hoger beroep tegen de beschikking van
de rechtbank Rotterdam van 14 februari 2014 op een verzoekschrift, op grond van artikel 89 vanPro het Wetboek van Strafvordering ingediend door:
[naam verzoeker],
geboren op [datum] te [plaats],
in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van zijn advocaat mr. J. de Back aan de Heemraadsingel 195,
3023 CB Rotterdam.
Procesgang
Verzoeker heeft in zijn strafzaak met parketnummer 09/809295-13 de periode van 16 maart 2012 tot zijn invrijheidstelling op 22 juni 2012 in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht.
Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 december 2012 is verzoeker vrijgesproken van het aan hem in zijn strafzaak tenlastegelegde, te weten het medeplegen van poging tot afpersing, dan wel medeplichtigheid aan poging tot afpersing
Verzoeker heeft vervolgens bij een op 4 maart 2013 ter griffie van de rechtbank Rotterdam ingekomen verzoek-schrift gevraagd hem op de voet van artikel 89 vanPro het Wetboek van Strafvordering een bedrag toe te kennen van
€ 8.395,- als vergoeding voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van de tijd die hij in zijn strafzaak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van
14 februari 2014 overwogen dat verzoeker recht heeft op schadevergoeding in verband met de tijd die hij in zijn strafzaak in detentie heeft doorgebracht, maar ook dat
gronden van billijkheid aanwezig zijn die meebrengen dat het bedrag waarop verzoeker overeenkomstig de forfaitaire vergoedingsmaatstaven aanspraak zou kunnen maken met
50 percent dient te worden gematigd.
Redengevend voor deze matiging zijn –aldus de rechtbank- de overwegingen uit het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 december 2012 in de strafzaak tegen de verdachte die luiden: “ Ten aanzien van het meegaan van de verdachte naar het uitzendbureau en het aanwezig zijn in de nabijheid van de parkeerplaats van hotel New York geldt dat dit blijkens de verklaring van de medeverdachte [naam] en de verklaring van de verdachte zelf heeft plaatsgevonden.
(..)
Voor het op de uitkijk staan en zo nodig waarschuwend optreden geldt het volgende. Ook deze handelingen staan op grond van de stukken vast. Medeverdachte [naam} heeft immers verklaard dat hij de vrienden van zijn neef, onder wie de verdachte, heeft gevraagd om mee te komen, omdat hij er zeker van wilde zijn dat het slachtoffer alléén naar de plek zou komen waar het geld zou worden afgegeven. Hij heeft die vrienden daartoe neergezet op plekken waar zij het slachtoffer konden zien aankomen. Tevens blijkt uit het aanhoudingsproces-verbaal van de politie dat de verdachte zich in de nabijheid bevond van de plaats waar medeverdachte [naam] het gevraagde geldbedrag van het slachtoffer wilde ontvangen.
Door op de uitkijk te gaan staan en zo nodig waarschuwend op te treden heeft de verdachte bewust hulp verleend aan zijn medeverdachten en moet hij, gelet op de aard van de verrichte handelingen, tevens hebben geweten althans in ieder geval zijn voorwaardelijk opzet er op gericht zijn geweest dat hij door zijn handelwijze hulp verleende aan het plegen van activiteiten van zijn medeverdachten die het daglicht niet konden verdragen. Enig bewijs dat de verdachte wist dat hij deze handelingen verrichte in verband met een voorgenomen afpersing of soortgelijk delict en bijvoorbeeld niet in verband met drugsdelict ontbreekt echter.”
De rechtbank overweegt vervolgens in de beschikking waarvan beroep dat verzoeker door zijn in het vonnis in zijn strafzaak beschreven handelswijze voer heeft gegeven aan de tegen hem gerezen verdenking, en de strafrechtelijke vervolging deels over zichzelf heeft afgeroepen, zodat derhalve de omstandigheid dat verzoeker in verband daarmee in voorarrest heeft verbleven en als gevolg daarvan schade heeft geleden deels voor diens eigen risico en rekening dient te blijven.
Namens verzoeker is op 7 maart 2014 hoger beroep tegen die beschikking ingesteld.
Het hof heeft dit hoger beroep op 18 december 2014 in het openbaar in raadkamer behandeld. In raadkamer zijn gehoord de verzoeker, diens advocaat mr. J. de Back en de advocaat-generaal mr. H.H.J. Knol.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het hoger beroep.
Beoordeling van de beschikking waarvan beroep
De beschikking waarvan beroep dient te worden vernietigd omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de eerste rechter.
Beoordeling van het verzoek
De strafzaak tegen verzoeker is geëindigd met een beslissing, die hem op grond van artikel 89, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering in beginsel recht geeft op toekenning van een vergoeding voor de schade, die hij heeft geleden als gevolg van de door hem onder-gane verzekering en voorlopige hechtenis, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van het hof, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Voor wat betreft die omstandigheden is het hof op grond van het dossier in de strafzaak tegen verzoeker, waaronder het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 december 2012, en het verhandelde ter zitting in raadkamer van dit hof het volgende gebleken.
Verzoeker heeft zich –naar zijn eigen zeggen- vrijwillig in een situatie begeven waarvan hem duidelijk was dat zijn medeverdachte in de strafzaak, genaamd [naam], op 16 maart 2012 op een parkeerplaats in Rotterdam een ontmoeting had met het slachtoffer in de strafzaak en waarbij de rol van verzoeker hieruit bestond dat hij op aanwijzingen van die [naam] op de uitkijk moest staan om er zeker van te zijn dat het slachtoffer alleen op de plaats van de afspraak zou verschijnen en zo nodig die
[naam] waarschuwen. Bovendien is gebleken dat verzoeker op de hoogte was van het feit dat naast hemzelf ook nog anderen door die [naam] als uitkijk in de directe
omgeving van de plaats van de afspraak waren geplaatst.
Voorts is komen vast te staan dat verzoeker op die datum in de onmiddellijke nabijheid van de plaats van die afspraak is aangehouden. Het bleek te gaan om –kort gezegd- een afpersing waarbij de overdracht van een grote hoeveelheid geld door het slachtoffer aan die [naam] op die dag en plaats zou plaatsvinden. Slechts door tijdig ingrijpen van de politie is die afpersing niet voltooid.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat verzoeker door zijn handelen de gerechtvaardigde zeer zware verdenking op zich heeft geladen dat hij zich samen met anderen schuldig had gemaakt aan een poging tot afpersing van het slachtoffer in de strafzaak.
Naar het oordeel van het hof brengt dit mee dat verzoeker de op zijn aanhouding volgende inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis geheel aan zichzelf te wijten heeft gehad.
Om die reden acht het hof geen gronden van billijkheid aanwezig zijn om verzoeker een vergoeding op de voet van artikel 89 vanPro het Wetboek van Strafvordering toe te kennen.
Het verzoek moet derhalve worden afgewezen.
Beslissing
Het hof:
Vernietigt de beschikking waarvan beroep.
Wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door
mr. Duindam, voorzitter,
mrs. Van Walderveen en Grootveld, leden,
in bijzijn van mr. Mulder, griffier,
en uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2015.
Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.