ECLI:NL:GHDHA:2015:4039

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
24 februari 2015
Publicatiedatum
23 maart 2023
Zaaknummer
200.157.953/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 347 lid 1 RvArt. 3.2 Second Opinion ReglementArt. 3.3 Second Opinion ReglementArt. 3.4 Second Opinion ReglementArt. 4.2 Second Opinion Reglement
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis ontruiming huurwoning wegens hennepteelt in hoger beroep

In deze zaak stond de ontruiming van een huurwoning wegens hennepteelt centraal. Appellant, huurder van de woning, was in eerste aanleg veroordeeld tot ontruiming door de rechtbank Rotterdam. In hoger beroep werd een Second Opinion-procedure gevolgd, waarbij partijen unaniem instemden met deze procedure.

Het hof nam de overwegingen van de kantonrechter over en bekrachtigde het bestreden vonnis zonder nadere motivering, conform het Second Opinion Reglement. Appellant werd in het ongelijk gesteld en veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, die beperkt waren tot het griffiegeld en het salaris van de advocaat van Woonstad.

Het arrest werd uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 24 februari 2015 door het gerechtshof Den Haag, waarbij het vonnis van de rechtbank ongewijzigd bleef en de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt appellant in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.157.953/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 3098873 \ CV EXPL 14-24842

Arrest van 24 februari 2015

Inzake

[appellant]

domicilie kiezende te Rotterdam (ten kantore van mr. Soebhag)
appellant,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. G.A. Soebhag te Rotterdam,
tegen

Stichting Woonstad Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,
geïntimeerde,
hierna te noemen: Woonstad,
advocaat: mr. C.S. Rodrigues Pereira-de Kuyper te Rotterdam.

Het geding

Voor het procesverloop tot aan 2 december 2014 verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum. Bij dat tussenarrest werd een comparitie van partijen gelast. Van deze comparitie, die op 20 januari 2015 werd gehouden, is proces-verbaal opgemaakt. De behandelend advocaten hebben na de comparitie eenstemmig laten weten dat zij een Second Opinion­ procedure wensen en hebben daartoe allebei een SO-formulier als bedoeld in artikel 3.2. van het Second Opinion Reglement (SOR) ingevuld en ondertekend. Voornoemd verzoek is toegestaan, waarna arrest is bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep volgens de Second Opinion-procedure

1. Met de namens hen verrichte invulling en ondertekening van de SO-formulieren hebben partijen ingestemd met het SOR en worden zij geacht de conclusies als bedoeld in artikel 347 lid 1 Rv Pro te hebben genomen (zie ook de artikelen 3.3 en 3.4 SOR). De enige grief van [appellant] bestaat eruit dat de rechtbank Rotterdam niet heeft beslist overeenkomstig hij in eerste aanleg had gevorderd.
2. Het hof - dat kennis heeft genomen van de stukken in eerste aanleg - neemt de overwegingen van de kantonrechter over en maakt deze tot de zijne. Derhalve zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. Dit behoeft, gezien artikel 4.2 SOR, geen nadere motivering.
3. Als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de daarop gevallen kosten, die ingevolge artikel 4.4 SOR beperkt zijn tot het door Woonstad betaalde griffiegeld van € 704,00 en, nu een comparitie heeft plaatsgevonden, één punt volgens het toepasselijke liquidatietarief,€ 894,00.

Beslissing

Het hof
  • bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
  • veroordeelt· LieveId in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Woonstad begroot op een bedrag van € 1.598,00 waarvan € 704,00 voor griffiegeld en € 894,00 voor salaris advocaat;
  • verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. T.G. Lautenbach, M.E. Honée en M.P.J. Ruijpers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 februari 2015 in aanwezigheid van de griffier.