Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 22 september 2015
[appellante] RECYCLING B.V.,
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Infrastructuur en Milieu),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
in het principaal en voorwaardelijk incidenteel appel
“een enorme impact (hebben) gehad op de bedrijfsvoering”.
tussenvonnis van 11 juli 2012heeft de rechtbank (onder 4.1) vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat de Staat onrechtmatig jegens [appellante] heeft gehandeld door haar op 23 april 2008 een LOD op te leggen en dat de Staat de daardoor veroorzaakte schade zal moeten vergoeden.
tussenvonnis van 11 juli 2012(en tegen die overweging maakt de Staat bezwaar) heeft de rechtbank overwogen dat onderzocht diende te worden welke schade [appellante] heeft geleden over de periode 23 april 2008 (datum dwangsombesluit) tot 23 september 2009 (datum vernietiging besluit). De rechtbank was van oordeel dat aan de schorsingen door de voorzitter wel enige, maar geen beslissende betekenis toekomt. Zij overwoog dat [appellante] vanaf 23 april 2008 onzeker was over de toelaatbaarheid van haar handelwijze, aan welke onzekerheid (pas) een einde kwam door de vernietiging door de Afdeling. Volgens de rechtbank stond het [appellante] gedurende de schorsingen weliswaar vrij om zonder vrees voor dwangsommen op de oude voet door te gaan, maar staan daar drie omstandigheden tegenover: i) zij wist niet zeker of het dwangsombesluit niet zou herleven, te minder omdat ii) de inspectie gedurende de perioden van de schorsingen op geen enkele wijze te kennen heeft gegeven dat zij tot een ander inzicht was gekomen en iii) in de markt bekend kon zijn dat deze kwestie speelde. De rechtbank achtte het daarom alleszins mogelijk dat [appellante] ook gedurende de perioden van schorsing nadeel heeft ondervonden van het dwangsombesluit.
het tussenvonnis van 28 november 2012heeft de rechtbank onder rechtsoverweging 2.2 twee vragen centraal gesteld:
het tussenvonnis van 9 oktober 2013gebogen over het door haar als eerste deelthema aangemerkte bewijsthema: de gestelde stagnatie in de contracten met Remondis en Alba. De rechtbank ontleedde dat thema weer in twee centrale stellingen. De eerste stelling is dat [appellante] met deze beide bedrijven in 2008 contracten had afgesloten voor grote volumes PET-flessen: Remondis betrok PET-flessen van Duitse supermarkten en had zich jegens [appellante] verbonden daarvan grote volumes aan haar te leveren, terwijl de (twee) contracten met Alba voorzagen in doorlevering van (een groot deel van) deze partijen aan Alba. De tweede centrale stelling is, aldus de rechtbank, dat de onrechtmatige daad van de Staat de uitvoering van het (inkoop)contract met Remondis ernstig heeft belemmerd en dat dit ernstige nadelige gevolgen heeft gehad voor de nakoming van de op doorverkoop gerichte contracten met Alba. Onder 2.8 overweegt de rechtbank dat zij tot het voorlopige oordeel kwam dat [appellante] in voldoende mate bewijs heeft geleverd van de eerste centrale stelling (de contracten met Remondis en Alba) alsmede van het tweede en derde bewijsthema (afzet van haar voorraad in april 2008, respectievelijk haar mogelijkheden om in de periode van 23 april 2008 tot 23 september 2009 een grotere omzet te verwezenlijken).
eindvonnis van 19 maart 2014onder 2.3 overwogen dat de centrale stelling over het causaal verband tussen de onrechtmatige daad van de Staat en de door [appellante] gestelde ernstige stagnatie in haar exportmogelijkheden en daarmee haar omzet, onbewezen is gebleven. Volgens de rechtbank was Alba als schakel in de keten weggevallen, terwijl in de stellingen van [appellante] haar contract met Alba essentieel was. De rechtbank heeft vervolgens alle vorderingen van [appellante] afgewezen. [appellante] komt daartegen op in dit hoger beroep.
tweede, derde en vierde griefvan [appellante] . Zij betreffen de bewijswaardering ten aanzien van de afzetmogelijkheden die [appellante] op grond van de contracten met Alba zou hebben gehad.
derde griefklaagt [appellante] erover dat de rechtbank waarde heeft toegekend aan de schriftelijke (door de Staat ingebrachte) verklaring van de heer [betrokkene 1] , die niet als getuige is gehoord en wiens verklaring afbreuk doet aan de stellingen van [appellante] .
tweede en vierde griefgeldt het volgende.
vijfde griefkomt [appellante] op tegen (onder meer) de overwegingen 2.4 en 2.5 van de rechtbank in het eindvonnis van 19 maart 2014. Volgens [appellante] heeft de rechtbank ten onrechte een centrale rol aan Alba toegekend voor het bewijs van het causale verband. [appellante] wijst erop, dat zij het contract met Alba slechts als illustratie heeft genoemd van haar afzetmogelijkheden. Alba was niet haar enige afnemer, maar wel de enige met wie zij een schriftelijke overeenkomst had. Ten onrechte heeft de rechtbank, zo vervolgt [appellante] , de overige afnemers niet onderzocht. Met de
zesde griefklaagt [appellante] erover, dat de rechtbank voor de folieproducten dezelfde slotsom vond gelden als voor de PET-flessen.
eerste griefvan [appellante] , waarmee zij het oordeel van de rechtbank aanvecht dat de beëindiging van het contract door Remondis geen gevolg was van het dwangsombesluit.
Beslissing
- verklaart voor recht dat de Staat door het nemen van het dwangsombesluit van 23 april 2008 onrechtmatig jegens [appellante] heeft gehandeld en dientengevolge aansprakelijk is voor haar schade;
- veroordeelt de Staat aan [appellante] te betalen een bedrag van € 304.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, te berekenen vanaf 16 november 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt de Staat in de kosten van de procedure, aan de zijde van [appellante] voor de eerste aanleg tot op 19 maart 2014 bepaald op € 3.537,- aan griffierecht en op € 17.660,50 aan salaris voor de advocaat en voor het hoger beroep tot op heden op € 5.114,- aan griffierecht en op € 13.740,- aan salaris voor de advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;
- verklaart dit arrest voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders gevorderde.