Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest d.d. 22 december 2015
Het geding
- [de man] en zijn advocaat;
- [de vrouw] en haar advocaat.
Gerechtshof Den Haag
De zaak betreft een hoger beroep van de man tegen een vonnis van de rechtbank Rotterdam over financiële vorderingen na het beëindigen van een affectieve relatie zonder samenwoning. De vrouw was eigenaar van de woning waar de man tijdelijk woonde en werkzaamheden aan verrichtte. De man vorderde vergoeding voor waardevermeerdering van de woning, verrichte werkzaamheden, materiaalkosten, autokosten, inboedel en stelde onrechtmatig handelen van de vrouw.
Het hof oordeelde dat er geen sprake was van samenwoning en dat de woning volledig eigendom was van de vrouw, die ook alle lasten droeg. De man had geen recht op vergoeding van waardevermeerdering omdat hij niet was verarmd door de verkoop. Evenmin kon hij aanspraak maken op vergoeding voor werkzaamheden, omdat partijen stilzwijgend afspraken hadden gemaakt over de periode van verbouwing en bewoning. Materiaalkosten en autokosten waren onvoldoende onderbouwd en het verband met de verbouwing niet aangetoond.
De vordering wegens onrechtmatige daad werd afgewezen omdat het verbreken van de relatie niet als onzorgvuldig handelen kon worden aangemerkt en de man onvoldoende had onderbouwd dat de vrouw hem had misleid. De overige vorderingen, waaronder die voor inboedel en gezamenlijke bankrekening, werden eveneens afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing of grief. Het hof bekrachtigde het bestreden vonnis en veroordeelde de man in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen van de man af, waarbij hij in de proceskosten wordt veroordeeld.