Belanghebbende verkreeg op 12 maart 2013 de eigendom van een dubbele villa die jarenlang als kantoorpand was gebruikt en recentelijk was omgevormd tot een woonzorgfunctie. Ter zake van deze verkrijging werd overdrachtsbelasting voldaan tegen het 2%-tarief voor woningen. De Inspecteur legde echter een naheffingsaanslag op tegen het algemene tarief van 6%, stellende dat het pand niet naar zijn aard een woning was.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, stellende dat het pand ondanks de woonbestemming bij overdracht feitelijk een verzorgingsinstelling was en geen woning in de zin van de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Het Gerechtshof bevestigde dit oordeel na beoordeling van bouwdossiers, vergunningen, gebruikshistorie en gemeentelijke bestemmingen.
Het hof oordeelde dat de oorspronkelijke functie als sanatorium en latere langdurige kantoorbestemming, de geringe omvang van de conciërgewoning en de tijdelijke anti-kraakbewoning niet leiden tot kwalificatie als woning. De verleende omgevingsvergunning voor maatschappelijke woonzorg was onvoldoende om het pand naar zijn aard als woning te bestempelen. De naheffingsaanslag is daarom terecht opgelegd en het hoger beroep faalt.
Partijen werden niet in de proceskosten veroordeeld. De uitspraak werd op 26 juni 2015 door het Gerechtshof Den Haag in het openbaar uitgesproken.