In deze zaak staat een geschil tussen de voormalige partners over de schoolkeuze van hun minderjarige kinderen centraal, waarbij het gezag op grond van artikel 1:253a BW wordt beoordeeld. De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de voorzieningenrechter, die had bepaald dat de kinderen vanaf het schooljaar 2015-2016 naar een school in plaats B gaan en dat de man vervangende toestemming kreeg voor inschrijving.
De vrouw vordert vernietiging van het vonnis en afwijzing van de mannelijke vorderingen, terwijl de man zich hiertegen verzet en voorwaardelijk incidenteel appel instelt met betrekking tot de voetbalvereniging waar de oudste kind lid van is. Het hof stelt vast dat het spoedeisend belang van de vrouw bij beoordeling in hoger beroep nog aanwezig is.
Na beoordeling van de feiten, waaronder de zorgregeling, de woonplaatsen van partijen en de huidige school- en sportactiviteiten van de kinderen, overweegt het hof dat een nieuwe schoolwissel niet in het belang van de kinderen is. Zij hebben recent al ingrijpende veranderingen doorgemaakt en zijn inmiddels gewend aan hun school en sociale omgeving. De reistijdverlaging die de vrouw nastreeft weegt niet op tegen de nadelen van een wisseling.
Het hof bekrachtigt daarom het bestreden vonnis, wijst het meer of anders gevorderde in hoger beroep af en compenseert de proceskosten tussen partijen. Het voorwaardelijk incidenteel appel van de man behoeft geen verdere behandeling.