Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2015:3901

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
15 december 2015
Publicatiedatum
29 februari 2016
Zaaknummer
200.174.763/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep gezagsgeschil over schoolkeuze minderjarige kinderen

In deze zaak staat een geschil tussen de voormalige partners over de schoolkeuze van hun minderjarige kinderen centraal, waarbij het gezag op grond van artikel 1:253a BW wordt beoordeeld. De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de voorzieningenrechter, die had bepaald dat de kinderen vanaf het schooljaar 2015-2016 naar een school in plaats B gaan en dat de man vervangende toestemming kreeg voor inschrijving.

De vrouw vordert vernietiging van het vonnis en afwijzing van de mannelijke vorderingen, terwijl de man zich hiertegen verzet en voorwaardelijk incidenteel appel instelt met betrekking tot de voetbalvereniging waar de oudste kind lid van is. Het hof stelt vast dat het spoedeisend belang van de vrouw bij beoordeling in hoger beroep nog aanwezig is.

Na beoordeling van de feiten, waaronder de zorgregeling, de woonplaatsen van partijen en de huidige school- en sportactiviteiten van de kinderen, overweegt het hof dat een nieuwe schoolwissel niet in het belang van de kinderen is. Zij hebben recent al ingrijpende veranderingen doorgemaakt en zijn inmiddels gewend aan hun school en sociale omgeving. De reistijdverlaging die de vrouw nastreeft weegt niet op tegen de nadelen van een wisseling.

Het hof bekrachtigt daarom het bestreden vonnis, wijst het meer of anders gevorderde in hoger beroep af en compenseert de proceskosten tussen partijen. Het voorwaardelijk incidenteel appel van de man behoeft geen verdere behandeling.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de kinderen op de school in plaats B blijven en wijst het meer of anders gevorderde in hoger beroep af.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie
Zaaknummer : 200.174.763/01
Rol-/zaaknummer rechtbank : C/09/492784/KG ZA 15/1071

arrest d.d. 15 december 2015

inzake
[de vrouw] ,
wonende te [plaats A] ,
appellante,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. K.C. Diepstraten te Leiden,
tegen
[de man] ,
wonende te [plaats B] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. L. Berghuis-Knijff te [plaats B] .

Het geding

Bij exploot van 7 augustus 2015 is de vrouw in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 4 augustus 2015, gewezen tussen de vrouw als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie en de man als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie, hierna: het bestreden vonnis. De vrouw heeft verzocht het appel als spoedappel te behandelen, hetgeen het hof heeft toegestaan.
Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis.
Bij memorie van grieven ter rolzitting van 11 augustus 2015 heeft de vrouw één grief aangevoerd en vijf producties overgelegd (bevattende het procesdossier in eerste aanleg).
Bij memorie van antwoord heeft de man de grief bestreden. Daarnaast heeft hij voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld.
Beide partijen hebben hun procesdossier overgelegd. De vrouw heeft pleidooi gevraagd.
Voorafgaande aan het pleidooi zijn nog de volgende stukken ingediend:
van de zijde van de vrouw een bij H12-formulier op 12 november 2015 ingekomen brief, met drie producties, die het hof zal beschouwen als bij akte in het geding gebracht.
De pleidooizitting is op 27 november 2015 gehouden.
Verschenen zijn:
  • de vrouw en haar advocaat;
  • de man en zijn advocaat.
Partijen hebben ieder pleitnotities overgelegd.
Partijen hebben ieder verklaard er mee in te stemmen dat het hof arrest zal wijzen op basis van het ten behoeve van dit pleidooi overgelegde procesdossier.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Tegen de feiten zoals de voorzieningenrechter deze heeft vastgesteld onder ‘2’ in het bestreden vonnis is niet opgekomen, zodat het hof van deze feiten zal uitgaan.
2. In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter:
  • in conventie, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de minderjarige kinderen van partijen met ingang van 24 augustus 2015 in [plaats B] op de [naam] te [plaats B] naar school zullen gaan en is de man vervangende toestemming verleend om de minderjarigen op deze school in te schrijven voor het schooljaar 2015/2016;
  • in reconventie, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de minderjarige [naam] met ingang van het seizoen 2015/2016 door de vrouw kan worden ingeschreven bij een nog nader te bepalen voetbalclub in [plaats A] ;
  • in conventie en in reconventie het meer of anders gevorderde afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.
3. De vrouw vordert dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van de man zal afwijzen en de vorderingen van de vrouw, in reconventie, voor zover deze zijn afgewezen, alsnog zal toewijzen; met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties en in de nakosten ad € 131,- zonder betekening in conventie of reconventie (voor zover van toepassing), € 205,- zonder betekening in conventie en in reconventie tezamen , verhoogd met € 68,- in geval van betekening, met bepaling dat daarover de wettelijke rente zal zijn verschuldigd met ingang van veertien dagen na de datum van in deze te wijzen arrest.
4. De man concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw. In het (voorwaardelijke) incidenteel appel vordert de man, voor het geval het hof beslist om de vordering van de vrouw alsnog toe te wijzen en de minderjarigen op de school in [plaats A] zullen worden ingeschreven, het bestreden vonnis te vernietigen voor zover het de inschrijving van [naam] op een nader door de vrouw te bepalen voetbalclub in [plaats A] betreft en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat [naam] met ingang van het seizoen 2015/2016 zal worden ingeschreven bij de voetbalvereniging [naam] in [plaats B] en dat aan de man vervangende toestemming wordt verleend teneinde die inschrijving tot stand te brengen; met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis en - voor het geval voldoening binnen de bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de bedoelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening.
5. In hoger beroep spitst het geschil zich allereerst toe op de vraag, op welke school de minderjarigen
- [naam] , geboren [datum] en
- [naam] , geboren [datum] ,
moeten worden ingeschreven.
Het betreft, zoals ook de voorzieningenrechter terecht voorop heeft gesteld, een geschil in de zin van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechter dient, wanneer een vergelijk tussen partijen niet mogelijk is, een zodanige beslissing te nemen als in het belang van de minderjarigen wenselijk is.
6. Het hof overweegt als volgt.
Spoedeisend belang?
7. Als meest verstrekkend verweer voert de man aan dat het spoedeisend belang van de vrouw bij een voorziening in hoger beroep niet langer aanwezig is. De vrouw heeft dit betwist.
8. Het hof is van oordeel dat de vrouw nog altijd een spoedeisend belang heeft bij een beoordeling in hoger beroep, nu zij stelt dat, ingeval het hof anders zou beslissen dan de voorzieningenrechter ten aanzien van de school die de minderjarigen bezoeken, de minderjarigen rond de kerstvakantie kunnen overstappen naar een andere school.
School minderjarigen
9. Vast staat dat partijen na hun uiteengaan in oktober 2013 een zorgregeling zijn overeengekomen, inhoudende dat de minderjarigen in de ene week van zondag 16.30 tot dinsdag 18.30 uur en in de andere week van vrijdag 18.30 uur tot dinsdag 18.30 uur bij de man verblijven en gedurende de andere perioden in die weken bij de vrouw. In Leiden woonden partijen na de verbreking van de samenwoning op een korte afstand van elkaar.
10. Het was de intentie van beide partijen, om naar [plaats B] en omgeving te verhuizen. De vrouw heeft uiteindelijk de keuze gemaakt, een huurwoning in [plaats A] te betrekken, daar waar zij aanvankelijk heeft gezocht naar een huurwoning in [plaats C] dan wel [plaats B] . Beide ouders hebben hun werk in [plaats B] en directe omgeving.
11. Inmiddels - sedert het bestreden vonnis - is de situatie zo dat uitvoering is gegeven aan het vonnis van de voorzieningenrechter. De minderjarigen gaan met ingang van het schooljaar 2015-2016 naar een school in [plaats B] en de oudste is lid van een voetbalvereniging in [plaats A] . De man is verhuisd naar [plaats B] en woont daar samen met zijn nieuwe partner. De vrouw is verhuisd naar [plaats A] . De zorgregeling verloopt nog altijd zoals partijen zijn overeengekomen.
12. Het hof is van oordeel dat het niet in het belang van de minderjarigen is om wederom van school te wisselen. Zij hebben een forse verandering in hun leefsituatie doorgemaakt doordat beide ouders zijn verhuisd naar een nieuwe woonomgeving. In beide woonomgevingen moeten de minderjarigen hun weg vinden. Zij moeten daarnaast gewend raken aan een nieuwe school. Voor de jongste minderjarige is het de eerste school waar hij onderwijs volgt. De vrouw heeft niet weersproken dat het met de minderjarigen goed gaat op deze school en dat zij daar vriendjes hebben gemaakt. Dat de oudste minderjarige wat dromerig kan zijn zoals de vrouw stelt, doet daaraan niet af. Het hof acht het dan ook een te ingrijpende verandering, zo kort na de andere veranderingen waarmee de minderjarigen al geconfronteerd zijn geweest, indien de minderjarigen die school nu weer moeten verlaten en moeten wennen op een nieuwe school. Ofschoon het belang van de kinderen gediend zou zijn met minder reistijd, is dit in een situatie van co-ouderschap, waarbij de ouders niet bij elkaar in de buurt wonen, door een wijziging in school niet te realiseren. Bij de door de vrouw voorgestane wijziging wordt de reistijd weliswaar enigszins teruggebracht, maar dit weegt niet op tegen de nadelen van wederom een wisseling voor de kinderen.
13. Het voorgaande leidt er toe dat het hof het bestreden vonnis op dit onderdeel zal bekrachtigen.
Voetbalvereniging
14. Het hof komt door deze bekrachtiging niet toe aan de bespreking van het voorwaardelijk incidenteel appel van de man.
Proceskosten
15. Nu partijen voormalig levensgezellen zijn ziet het hof geen grond om een van partijen in de proceskosten te veroordelen. De vorderingen hiertoe worden over en weer afgewezen.

Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.A. Mink, C.M. Warnaar en E.C.C. Punselie en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 december 2015.in aanwezigheid van de griffier.