De zaak betreft het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam waarin verdachte was vrijgesproken van poging tot moord op een persoon in augustus 2008 te Rotterdam. Het hof heeft de zaak onderzocht op basis van terechtzittingen in 2014 en 2015 en heeft kennisgenomen van de vorderingen van de advocaten-generaal en de verdediging.
De tenlastelegging omvatte primair poging tot moord met voorbedachten rade, subsidiair poging tot moord zonder voorbedachten rade, meer subsidiair medeplichtigheid aan poging tot moord en meest subsidiair het bezit van een telefoonkaart ter voorbereiding van het misdrijf. De verdediging voerde onder meer bewijsuitsluiting aan wegens onrechtmatige opsporingsmiddelen, maar het hof liet deze verweren buiten beschouwing.
Het hof oordeelde dat op basis van de wettige bewijsmiddelen niet kon worden vastgesteld dat verdachte de schutter vervoerde of dat zijn gedragingen zodanig gericht waren op het levensdelict dat het opzet daarop gericht was. Ondanks het ontbreken van een aannemelijke verklaring van verdachte, was dit onvoldoende voor een bewezenverklaring. Daarom sprak het hof verdachte vrij van alle tenlasteleggingen.
De benadeelde partij had een vordering tot schadevergoeding ingediend, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte werd vrijgesproken. De vordering tot gevangenneming werd eveneens afgewezen. Het arrest werd uitgesproken door het hof Den Haag op 30 november 2015.