ECLI:NL:GHDHA:2015:3140
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- W.P.C.M. Bruinsma
- R.M. Bouritius
- H.A. Holthuis
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs feitelijke aanranding van de eerbaarheid
In deze strafzaak stond verdachte terecht voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid, waarbij hem werd verweten zich op ongewenste wijze te hebben gedragen tegenover de aangeefster in haar woning te Hellevoetsluis op 4 februari 2013.
De tenlastelegging betrof onder meer het betasten, zoenen, likken van de ontblote borsten van de aangeefster, het tonen van zijn ontblote penis, en het uiten van seksuele verzoeken. Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf.
In hoger beroep heeft het hof het vonnis vernietigd en verdachte vrijgesproken. Het hof oordeelde dat hoewel de handelingen tegen de wil van de aangeefster hebben plaatsgevonden, uit de bewijsmiddelen niet overtuigend blijkt dat verdachte zich willens en wetens zo heeft gedragen of bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelingen tegen haar wil waren.
Het hof benadrukte dat voor een bewezenverklaring niet alleen de handelingen zelf, maar ook het bewustzijn van de verdachte omtrent de tegenwil van de aangeefster moet worden vastgesteld. Dit ontbrak, waardoor het hof niet tot een veroordeling kon komen.
Het arrest werd gewezen door Bruinsma, Bouritius en Holthuis en uitgesproken op 11 november 2015.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij willens en wetens handelingen tegen de wil van de aangeefster heeft gepleegd.